Een heelkundige ingreep is een noodzakelijk gebeuren waarop het lichaam zal reageren met een soort stressreactie. Hiervoor stuurt het stresssignalen naar verschillende delen van het lichaam die hierop reageren. Deze reactie uit zich als pijn, versnellen van de hartslag, verhogen van de bloeddruk, enz... Het is aan de anesthesist om zoveel mogelijk de effecten van deze stressreactie op te vangen en het lichaam zo goed mogelijk in evenwicht te houden met een aangepaste verdoving.

Anesthesisten zorgen voor de bescherming en stabilisatie van de levensbelangrijke functies van het lichaam en voor het comfort tijdens en na de ingreep.

AZ Diest 23 10 2019 62


Verdoving kan op 2 niveaus toegediend worden:

  • Algemene verdoving: de patiënt wordt in een diepe slaap gebracht en ervaart niets van de ingreep.
  • Locoregionale verdoving: alleen het te opereren stuk van het lichaam wordt verdoofd door middel van een ruggenprik of een inspuiting in het lidmaat zelf. De patiënt blijft wakker tijdens de ingreep of krijgt een lichte sedatie toegediend om rustig te zijn.

Tijdens de operatie

De anesthesist zal ook extra aandacht besteden aan de positie op de operatietafel. Tijdens de narcose ligt de patiënt een hele tijd onbeweeglijk en in een onnatuurlijke houding, wat teveel druk kan geven op de huid, zenuwen of spieren met schade tot gevolg. Er zal dus extra aandacht besteed worden aan de houding om deze schade zo goed mogelijk te voorkomen.

Tijdens de ingreep moet de chirurg vaak allerlei handelingen doen om zijn doel te bereiken. Andere organen die het daarom moeilijker krijgen, worden door de anesthesist opgevolgd en zo nodig extra ondersteund om hiervan zo weinig mogelijk last te ondervinden. Het goed ontspannen houden van de spieren, de ondersteuning van de ademhaling, de correctie van eventueel bloedverlies, de toediening van antibiotica, de controle van de lichaamstemperatuur en nog zo veel meer is onze taak tijdens een narcose.

Tijdens en zelfs soms voor de narcose starten we reeds met de pijnstilling zodat deze al optimaal werkt als onze patiënt wakker wordt. U vindt hierover nog verdere informatie in onze aparte brochure over pijnstilling. Samengevat kan men de anesthesist dus het best niet alleen als slaapdokter zien, maar vooral als coördinator tijdens de ingreep zodat de chirurg de patiënt onder optimale omstandigheden en veilig kan opereren.

Na de operatie

Als de operatie klaar is, dient de patiënt veilig wakker gemaakt te worden. Dit gebeurt niet met een wonderspuit die alles ongedaan maakt. Het wakker maken is een proces van berekend toedienen van producten tijdens de operatie en het stopzetten van het slaapgas/slaapinfuus na de operatie.

Tijdens de ingreep wordt er aan het lichaam gewerkt en dit werkt na de operatie nog een tijd door. Bij het ontwaken moet er dus rekening gehouden worden met producten die nog nawerken, een mogelijk bemoeilijkte ademhaling, een risico op nabloeding, enz. Men is op dat moment dus nog niet in een stabiele situatie en er zal dus nog verdere monitoring nodig zijn. Daarom komen onze patiënten na de operatie nog een tijd op de ontwaakkamer te liggen voor observatie en behandeling, tot men voldoende gestabiliseerd is om veilig naar de kamer te kunnen terugkeren.

In de ontwaakkamer zullen verpleegkundigen, onder toezicht van een anesthesist, voor de verdere opvolging zorgen.


Elke operatie brengt helaas pijn met zich mee. Aangezien dit het herstel vertraagt en onze patiënten oncomfortabel maakt, streven wij in ons ziekenhuis naar optimalisatie van de pijnstilling en het comfort.

Wat is postoperatieve pijn?

Postoperatieve pijn is een vorm van acute pijn die ontstaat na een operatie ten gevolge van de weefselbeschadiging die tijdens de ingreep ontstaat. Acute pijn is pijn van korte duur en is goed te behandelen. Het is ondanks dit toch belangrijk ook speciale aandacht aan deze kortstondige pijn te geven om ervoor te zorgen dat deze niet verder evolueert naar langdurige of chronische pijn.

Het bestrijden van pijn is een gezamenlijk werk waar ook de patiënt een cruciale rol in speelt. Aangezien artsen en verpleegkundigen de pijn niet voelen, is het belangrijk dat onze patiënten laten weten wat zij voelen en wanneer ze terug comfortabel zijn. Hiervoor gebruiken we de hulp van een pijnmeting.

De pijnmeting

Voor het bevragen van pijn, werd een speciaal VAS (visueel analoge schaal) score uitgewerkt die telt van 0 tot 10 waarbij 0 “geen pijn” en 10 “de ergst denkbare pijn” omschrijft.

De verpleegkundige zullen na de ingreep dan ook regelmatig vragen hoe het met de pijn gaat met behulp van deze score.

Op geleide van de scores en de evolutie ervan, wordt de pijnstilling op maat aangepast. Zo kunnen wij streven naar een veilige pijnbestrijding met maximaal comfort.

Uw comfort is belangrijk

Voor het fysiek en mentaal herstel is het belangrijk dat men de postoperatieve periode zo comfortabel mogelijk doorkomt. Pijn mag het diep ademhalen, hoesten of bewegen niet belemmeren.
Daarom is het belangrijk ons te laten weten hoe men zich voelt en hoe de pijn evolueert onder de toegediende pijnstillers. Ook op momenten dat er niet rechtstreeks naar gevraagd wordt.
Hoe langer men wacht met het melden van de pijn, hoe moeilijker het wordt deze te bestrijden en te controleren.

Pijnbehandeling

De pijnstillers worden aangepast aan de fysiek, de voorgeschiedenis, de ernst van de pijn, de aard en de uitgebreidheid van de ingreep. De input van de patiënten helpt ons de juiste pijnstilling samen te stellen.

Vergeet het zeker niet te melden indien u

  • ergens allergisch voor bent
  • reeds pijnmedicatie neemt
  • maagzweren heeft gehad of maagoperaties heeft ondergaan
  • een slechte nierwerking heeft

Naast medicatie zijn er ook een aantal andere handelingen die de pijn kunnen verzachten bijvoorbeeld ijs leggen, hoogstand van het geopereerde lidmaat, masseren,…


Wanneer men een ingreep ondergaat, is pijn een natuurlijke reactie van het lichaam. Dit maakt echter de periode na de operatie zwaarder en daarom proberen we de pijn zoveel mogelijk te beperken. Het volledig wegnemen van alle pijn is een moeilijk haalbaar doel, maar het nastreven van een goed comfort is dat zeker niet. Het is bovendien wetenschappelijk aangetoond dat een goede pijnbestrijding na de operatie de kans op complicaties vermindert.

Daarom zullen wij, artsen en verpleegkundigen, alles in het werk stellen om de pijn in voldoende mate te controleren zodat onze patiënten comfortabel zijn in de periode na de operatie en vlot kunnen herstellen.

Aarzel daarom nooit om de artsen en verpleegkundigen op de hoogte te brengen van uw pijnbeleving. Wij voelen niet wat u voelt, maar horen het wel graag, zodat wij de pijnstilling maximaal kunnen optimaliseren.

Voor bepaalde ingrepen stellen de anesthesist en chirurg een PCEA pomp voor. PCEA staat voor het Engelse Patient Controlled Epidural Analgesia of in het Nederlands: patiënt gecontroleerde epidurale verdoving.
Het is een soort van pijnstilling door middel van een pomp die de patiëtn zelf kan bedienen binnen de door een anesthesist ingestelde veiligheidsgrenzen.

Wanneer er voor een PCEA pomp wordt gekozen, moet er vlak voor de operatie een epidurale catheter geplaatst worden. Dit is een fijn buisje dat door middel van een ruggenprik tot in de epidurale ruimte wordt gebracht. Dit is een ruimte waar de zenuwen liggen die uit het ruggenmerg komen en die zorgen voor het gevoel in de geopereerde zone.

Wanneer deze catheter geplaatst is, ondergaat u vervolgens onder volledige verdoving uw ingreep.

De anesthesist zal tijdens en na de operatie de geplaatste catheter gebruiken om lokaal verdovingsproduct in te spuiten en zo de zenuwen te verdoven. Zolang deze zenuwen verdoofd zijn, sturen ze minder pijnsignalen door en is men comfortabel. Wanneer de patiënt in de ontwaakruimte (verkoeverkamer) is, wordt de verdoving geëvalueerd en zo nodig nog verder geoptimaliseerd door extra verdoving in te spuiten via de catheter.
Het kan zijn dat het verdovingsproduct ook een deel inwerkt op de zenuwen die voor de spieren instaan. Daarom kan er een verminderde kracht optreden in de benen en is het belangrijk dat men nooit alleen op te staan.

Werking van de PCEA pomp

De werking bestaat uit twee delen:

  1. Men krijgt een continue toediening van de verdoving via de epidurale catheter.
  2. Men de pomp zelf bedienen binnen de ingestelde veiligheidsgrenzen door een simpele druk op de knop. Er wordt dan een extra dosis pijnstilling toegediend. Zo kan de pijnstilling binnen bepaalde grenzen zelf geregeld worden en hoeft er niet gewacht te worden op de verpleegkundige voor een extra pijnstiller.

Het product heeft 5 à 15 minuten nodig om in te werken. Het is dus niet nuttig te blijven drukken als er niet onmiddelijk beterschap optreedt. Maar wacht ook niet te lang te om te drukken; het is beter te drukken wanneer men een zeurend gevoel ervaart dan te wachten tot de pijn in alle hevigheid is teruggekeerd.

Het is belangrijk dat u zelf de pomp bedient en dat niet iemand anders dit voor u doet, want u voelt immers de pijn.

Bijwerkingen

Tijdens het gebruik van de PCEA pomp kan men een aantal nevenwerkingen ervaren (jeuk, moeilijk plassen, duizeligheid), maar deze zijn tijdelijk van aard. Wanneer de pomp wordt gestopt, verdwijnen deze dan ook vanzelf.

De meest voorkomende nevenwerkingen zijn een slapend gevoel in de benen, buik of borstkast. Er kan ook een verminderde kracht in de benen optreden. Daarom is het verplicht bedrust te houden en nooit op te staan zonder de aanwezigheid van een verpleegkundige.

Mogelijke complicaties

De meest voorkomende complicatie na het prikken van de epidurale catheter voor uw PCEA pomp is hoofdpijn. Meestal treedt dit onmiddellijk na het plaatsen op, maar het kan ook pas duidelijk worden na enkele dagen. De therapie is hierbij simpel: platte rust, pijnstilling en extra vochtinname met een voorkeur voor cafeïnehoudende dranken.

Andere complicaties komen bijna nooit voor, maar we vermelden ze voor de volledigheid. Er is een zeer geringe kans op een acuut epiduraal hematoom. Dit is een bloeding rond het ruggenmerg die de volgende symptomen kan geven:

  • Toenemende verlamming in de benen of armen
  • Toenemende gevoelloosheid in de benen of armen
  • Problemen bij het plassen
  • Hevige rugpijn

Heel uitzonderlijk kan men een hersenvliesontsteking ontwikkelen. Deze is goed te genezen met antibiotica.


Voor schouderchirurgie wordt een locoregionale verdoving gebruikt, bovenop de algemene verdoving. Dit wordt een interscaleen block genoemd en wordt geplaatst door de anesthesist.

Locoregionale anesthesie

Locoregionale anesthesie is een verdoving die alleen het te opereren stuk van het lichaam verdooft. Hierbij wordt een verdovingsproduct ingespoten rond de zenuwen van de te opereren zone zodat deze zenuwen in slaap vallen en de pijnsignalen tijdelijk geblokkeerd worden.

Interscaleen block

De pijnzenuwen van de schouder, de plexus brachialis, liggen aan de zijkant van de hals tussen twee halsspieren, de scalenusspieren genaamd. Om deze pijnzenuwen te verdoven, prikken wij tussen deze twee scalenusspieren in, vandaar de benaming interscaleen block of letterlijk “ tussen de scalenusspieren blok”.

Hoe wordt een interscaleen block geplaatst?

Een interscaleen block wordt voor de operatie geplaatst op het operatiekwartier door de anesthesist, met hulp van een verpleegkundige. Eerst wordt er een infuus geplaatst in de niet te opereren arm en krijgt men een klemmetje op de vinger zodat we de zuurstof en hartslag kunnen volgen.

Zodra dit in orde is, kan de anesthesist beginnen met het plaatsen van het interscaleen block. Om de schouderzenuwen goed te verdoven is het belangrijk het verdovingsproduct zo dicht mogelijk bij de zenuw in te spuiten. De zenuw moet dus opgezocht worden. Hiervoor maakt de anesthesist gebruik van een echotoestel en een elektrostimulator. Dit laatste is een toestelletje dat kleine elektrische stroompjes aanmaakt die de zenuw stimuleren en de spieren zo laat bewegen. De stimulatie kan licht onaangenaam zijn, maar wordt meestal zeer goed verdragen. Aan de hand van waar de spieren bewegen, weet de anesthesist de weg te vinden naar de zenuwen. Het is daarom belangrijk dat men de arm ontspannen houdt en de beweging gewoon laat gebeuren.

Zodra de juiste zenuwen opgespoord zijn, kan de lokale verdoving ingespoten worden. Het inspuiten kan een drukgevoel geven in de hals. Indien men een scherpe pijn voelt, is het belangrijk dit te melden aan de anesthesist zodat deze de inspuiting kan aanpassen. 10 à 30 Minuten na de inspuiting begint de verdoving te werken en gaat de patiënt merken dat het gevoel en de kracht in de te opereren arm afnemen. De werking van de verdoving houdt zo’n 6 à 10 uur aan. Wanneer men later voelt dat de verdoving begint uit te werken en het gevoel in de arm stilaan terugkomt, mag men de verpleging hiervan op de hoogte brengen. Vanaf dan worden er extra pijnstillers via het infuus of in tabletvorm opgestart.

Voordelen

  • Goede pijnstilling van de geopereerde schouder en een comfortabel herstel.
  • Minder nood aan sterke pijnstillers tijdens uw verblijf.
  • Minder zware algemene verdoving omdat uw schouder reeds slaapt waardoor u sneller wakker bent en minder suf bent de uren nadien.
  • Verminderd risico op misselijkheid en braken na de verdoving
  • Grotere tevredenheid bij patiënt en verpleging
  • Minder pijn tijdens de revalidatie
  • Betere chirurgische toegankelijkheid door de ontspannen schouderspieren.

Mogelijke bijwerkingen

  • De zenuwen van het oog en de stembanden liggen dicht in de buurt van de inspuitplaats. Hierdoor kan het zijn dat ook deze licht mee verdoofd geraken. Er kan dan tijdelijke last optreden van een afhangend ooglid of heesheid. Deze last verdwijnt samen met de verdoving.
  • Licht gevoel van kortademigheid wanneer de verdovingsstof ook het middenrif licht verdooft, voornamelijk bij patiënten die reeds luchtwegproblemen hebben. Deze klachten verdwijnen met het uitwerken van de verdoving.
  • In zeer zeldzame gevallen (<1%) kan de zenuw rechtstreeks geraakt worden door de punctienaald. In de meeste gevallen herstelt de zenuw zich over een langere periode, dit kan duren tot 6 weken na de operatie. Bij twijfel is het raadzaam om de anesthesist te verwittigen, zodat hij/zij gerichte onderzoeken kan aanvragen om de exacte aard en ernst van de zenuwbeschadiging vast te stellen.
  • Uiterst zeldzaam kan door het aanprikken van de longtop een klaplong ontstaan met kortademigheid als gevolg. Meestal geneest dit spontaan, maar een kortstondige opname ter observatie is meestal nodig.

Wie komt niet in aanmerking?

In principe komt iedereen in aanmerking voor een interscaleen block met uitzondering van:

  • Patiënten die een verhoogde bloedingsneiging hebben of onder sterke bloedverdunners staan(Plavix®, Ticlid®, Marcoumar®) die niet mogen gestopt worden. Meestal kan deze medicatie enkele dagen voor de ingreep wel gestopt worden en kan het interscaleen block vlot geplaatst worden.
  • Patiënten met een ernstige longziekte komen mogelijk niet in aanmerking voor het interscaleenblok. De uiteindelijke beslissing wordt gezamenlijk genomen door de chirurg en de anesthesist.
  • Patiënten die een hartoperatie (overbruggingen of een kunstklep) hebben ondergaan, moeten dit eveneens melden aan de anesthesist. In zeldzame gevallen bestaat er na deze operatie een spierzwakte van de ademhalingsspier of het middenrif. In dit geval kan soms gekozen worden geen interscaleenblok uit te voeren.
  • Patiënten die halschirurgie hebben ondergaan komen mogelijks niet in aanmerking voor een interscaleenblok. Dit zal individueel geëvalueerd worden.