Algemeen     Ziekenhuis     Diest
Statiestraat   65   -   3290  Diest
T 013 35 40 11 - F 013 31 34 53

Orthopedische heelkunde


CSS_Icon.png

Orthopedie
 

 
 

De dienst orthopedische heelkunde van het AZ Diest is gespecialiseerd in de opvang, diagnostiek en behandeling van alle ziekten en letsels van het bewegingsapparaat.

Een dynamisch team van 5 orthopedisch chirurgen, verpleegkundigen en kinesisten staat garant voor een deskundige behandeling in alle deelgebieden van de orthopedie.

Inhoudsopgave

De knie
De schouder
De heup
De voet

De knie

Knie.jpg

Meniscusscheur

Elke knie heeft twee menisci: een binnenmeniscus die halfmaanvormig is een een buitenmeniscus die half cirkelvormig is. De meniscus bestaat uit kraakbeen. De functies van de meniscus zijn schokabsorbered, verbeteren van stabiliteit en de gewrichtscongruentie van de knie.
Een scheur in de meniscus kan optreden door een acuut trauma (geforceerde torsiebeweging) of door slijtage waarbij door verminderde kwaliteit van het meniscusweefsel de meniscus kan scheuren.
De symptomen zijn pijn over de mediale of laterale gewrichtsspleet of in de kniekuil en eventueel vocht in de knie. Verder doorzakken en eventueel blokkages in de knie bij instabiele scheuren.
De diagnose kan bevestigd worden met een MRI-scan.

Een uitgebreide omschrijving van de behandeling is te bekijken op de pagina "Behandelingen".

Voorste kruisbandscheur

De voorste kruisband stabilseert de knie.
Indien deze band scheurt, ontstaat er een instabiliteit in de knie.
Hierdoor kunnen dan weer op termijn bijkomende letsels ontstaan aan de menisci en het kraakbeen met uiteindelijk vroegtijdige slijtage van de knie.
Het plaatsen van een nieuwe kruisband zal de knie terug stabiliseren en de versnelde slijtage tegengaan.

Een uitgebreide omschrijving van de behandeling is te bekijken op de pagina "Behandelingen".

Arthrose

    Osteotomie rond de knie

Bij jongere patiënten tussen de 40 en 55 jaar met belangrijke kraakbeenletsels aan één zijde van de knie en tevens een as-afwijking van het been, kan een correctie van de as van het been een duidelijke verbetering van de pijnklachten geven. Tevens zal het slijtageproces na correctie afgeremd worden.
Instabiliteit van de knie door een gecombineerd kruisbandletsel kan eveneens vaak hiermee worden opgelost.
De keuze van deze operatie hangt af van verschillende factoren zoals de leeftijd, de aard en plaats van de letsels, de activiteiten van patiënt, de pijn, ...
Dit zal uitgebreid door de chirurg besproken worden met de patiënt.

Een uitgebreide omschrijving van de behandeling is te bekijken op de pagina "Behandelingen".

    De unicondylaire knieprothese

Een unicondylaire knieprothese wordt geplaatst bij patiënten waarvan het kniegewricht aan één zijde zwaar beschadigd is. De oorzaak van de beschadiging ligt meestal bij slijtage, arthrose genaamd, en in mindere mate bij een vroegere breuk of osteonecrose.
In principe is er geen leeftijdsgrens en komen patiënten boven de leeftijd van 55 jaar in aanmerking.
Via de unicondylaire knieprothese kunnen de bewegingen terug soepel verlopen zonder dat er pijn optreedt.

Een omschrijving van de behandeling is te bekijken op de pagina "Behandelingen". 

De volledige informatiebrochure is tevens te bekijken via deze link.

    De totale knieprothese

Een totale knieprothese wordt geplaatst bij patiënten waarvan het kniegewricht zwaar beschadigd is. De oorzaak van de beschadiging ligt meestal bij slijtage, arthrose genaamd, en in mindere mate bij reuma, een vroegere breuk of osteonecrose.
In principe is er geen leeftijdsgrens en komen patiënten van alle leeftijden in aanmerking. Indien mogelijk zal toch gewacht worden tot een leeftijd van minstens 55 jaar.
Dankzij de totale knieprothese kunnen de bewegingen terug soepel verlopen zonder dat er pijn optreedt.

Een omschrijving van de behandeling is te bekijken op de pagina "Behandelingen".

De volledige informatiebrochure is tevens te bekijken via deze link.

De schouder

Anatomie van de schouder

De schouder is de verbinding tussen de arm en de romp. Het bestaat uit 4 gewrichten waarvan het glenohumerale gewricht het belangrijkste is. Dit bestaat uit een bol (de humerusknop) en een relatief klein kommetje (het glenoid). De bol wordt op zijn plaats gehouden door een kapsel, gewrichtsbanden en verschillende spieren (de rotatorcuff).

De samenwerking tussen al deze structuren maakt van de schouder het meest beweeglijke gewricht van ons lichaam.

Schouder_1.jpg

Schouderaandoeningen

Mede door de grote beweeglijkheid is schouderpijn een veel voorkomend probleem. Hieronder vind je een overzicht van de verschillende oorzaken van schouderpijn: symptomen en diagnose. De behandelingsmogelijkheden zijn telkens terug te vinden op de pagina "Behandelingen".

Impingement

Impingement (inklemming) is de meest frequente oorzaak van schouderpijn. Bij bewegingen boven schouderniveau klemt de schouderpees (rotatorcuff) tegen het beenderig dak van het schouderblad (acromion). Er ontstaat een ontsteking (verdikking) van de pees van van de slijmbeurs waardoor de ruimte boven de pees nog nauwer wordt en er een vicieuze cirkel ontstaat (zie foto). Bovenarmsporten of repetitieve bewegingen boven schouderniveau (metsen, schilderen, poetsen, ...) kunnen een inklemming uitlokken. Indien hte acromion sterker gebogen is (aangeboren) of een aanwas vertoont (door veroudering) verhoogt dit de kans op inklemming.

Impingement kan echter ook ontstaan zonder anatomische afwijkingen. Wanneer de schouderspieren niet in balans zijn en onvoldoende zijn ontwikkeld ontstaat een migratie van de humeruskop tegen het acromion (secundaire impingement).

Schouder_2.jpg

   Symptomen

De klachten ontstaan vaak na een overbelasting (sneeuw ruimen, schilderen, ...). De pijn situeert zich vooral aan de zijkant en voorkant van de bovenarm. De klachten worden vooral veroorzaakt bij bewegingen boven schouderniveau of achter het lichaam. Heel vaak gaat dit gepaard met nachtelijke pijn.

   Diagnose

Uw arts kan door de schouder te onderzoeken een aantal klinische tests uitvoeren die positief zijn bij een impingement. De volgende stap is het nemen van een röntgenfoto en echografie van de schouder. Bij twijfel of vermoeden van een andere diagnose wordt een scan (CT of NMR) aangevraagd. Vaak wordt hiervoor door de radioloog een inspuiting met contrast gegeven in de schouder om de anatomische structuren beter te evalueren.

Verkalking van de rotatorcuff

Er kunnen spontaan verkalkingen ontstaan in het peesblad van de schouder (rotatorcuff) (zie foto). De oorzaak hiervoor is nog niet duidelijk. Deze verkalkingen zijn vaak pijnloos en onschuldig. Indien ze echter te groot worden, kunnen ze druk geven op de pees en door de volumetoename ook impingement (inklemming) veroorzaken. Dit geeft uiteraard wel pijnklachten. In sommige gevallen kan de verkalking spontaan vrijkomen in de ruimte boven de pees. Het lichaam reageert hierop met een hevige en zeer pijnlijke ontstekingsreactie.

Schouder_3.jpg 

   Symptomen

De klachten worden vooral veroorzaakt bij bewegingen boven schouderniveau of achter het lichaam. De pijn situeert zich vooral aan de zijkant en voorkant van de bovenarm. Heel vaak gaat dit gepaard met nachtelijke pijn. In de acute fase, waarbij er kalk vrijkomt in de ruimte boven de pees, is de pijn vaak ondraaglijk.

   Diagnose

Uw arts kan door de schouder te onderzoeken een aantal klinische tests uitvoeren die positief zijn bij een verkalking van de rotatorcuff. Op een röntgenfoto en echografie zijn de verkalkingen goed zichtbaar.

Scheur van de rotatorcuff

Een scheur van de rotatorcuff (schouderpees) kan ontstaan door een chronische inklemming. Hierdoor verdunt de pees en kan ze uiteindelijk scheuren. De scheur kan echter ook plots ontstaan na een val of een trekbeweging (zie foto). Een scheur doorheen de volledige dikte van de pees geneest niet spontaan. Deze blijft in het beste geval stabiel of zal langzaam toenemen. Indien een pees te lang (maanden/jaren) is afgescheurd wordt deze stijf en is een herstel niet meer mogelijk. Bij jonge mensen wordt een rotatorcuffscheur dan ook best altijd hersteld. Bij oudere mensen wordt de beslissing om te opereren bepaald door verschillende factoren. Indien de patiënt nog zeer actief is, hij een goede kwaliteit van pees heeft en de klachten niet verbeteren met niet-operatieve middelen, zal een herstel van de rotatorcuff worden uitgevoerd. Er zijn echter veel oudere mensen die een scheur van de rotatorcuff hebben zonder hiervan last te hebben.

Schouder_4.jpg

   Symptomen

De pijn situeert zich vooral aan de zijkant en voorkant van de bovenarm. De klachten worden vooral veroorzaakt bij bewegingen boven schouderniveau of achter het lichaam. Heel vaak gaat dit gepaard met nachtelijke pijn. Wanneer de scheur groter wordt, zal dit ook gepaard gaan met krachtverlies in de schouder. In een vergevorderd stadium is er een ernstig functieverlies van de schouder waarbij de schouder nog met moeite omhoog kan worden gebracht.

   Diagnose

Uw arts kan door de schouder te onderzoeken een aantal klinische tests uitvoeren die positief zijn bij een rotatorcuffscheur. De volgende stap is het nemen van een röntgenfoto en echografie van de schouder. Om de scheur beter te beoordelen wordt vaak een scan (CT of NMR) aangevraagd. Hiervoor wordt door de radioloog een inspuiting met contrast gegeven in de schouder om de anatomische structuren beter te evalueren.

Frozen shoulder

Een frozen shoulder (bevroren schouder) is een overdreven ontstekingsreactie van het schouderkapsel (zie foto). Hierdoor zal het kapsel verdikken en de schouder ernstig verstijven. Dit fenomeen kan spontaan ontstaan zonder duidelijke oorzaak. Het kan echter ook ontstaan na een trauma van de schouder of langdurige schouderpijn. De aandoening komt vaker voor bij mensen met suikerziekte, schildklierlijden, herseninfarct en andere medische aandoeningen.

Schouder_5.jpg

   Symptomen

Een frozen shoulder bestaat meestal uit 3 fazen. In een eerste fase, die tot 6 maanden kan duren, zal de schouder progressief verstijven. Dit kan initieel gepaard gaan met veel pijn. In een volgende fase zal de pijn afnemen maar de verstijving zal blijven (+- 6 maanden). In een derde fase zal de schouder langzaam ontdooien en de beweeglijkheid toenemen en geleidelijk normaliseren. Dit proces kan tot 2 jaar duren.

   Diagnose

De diagnose is vaak eenvoudig te stellen door een klinisch onderzoek. De volgende stap is het nemen van een röntgenfoto en echografie van de schouder om onderliggende afwijkingen uit te sluiten.

Schouderinstabiliteit en schouderluxatie (ontwrichting)

De schouder is een zeer mobiel gewricht maar hierdoor ook zeer instabiel. De schouder heeft in verhouding tot de bol (humeruskop) een relatief klein kommetje (glenoid). De bol wordt dan ook op zijn plaats gehouden door een extra bumper (labrum), het kapsel, gewrichtsbanden en de rotatorcuffspieren. De schouder kan door een trauma (val, overstretching, ...) ontwrichten. Bij mensen met een aangeboren laxiteit kan de schouder echter ook reeds ontwrichten bij dagelijkse bewegingen. Wanneer de schouder de neiging heeft om uit de kom te gaan maar net op de rand terug reduceert spreekt men van een subluxatie. De schouder kan instabiel aanvoelen zonder dat er ooit sprake is geweest van een (sub)luxatie.

Bij een traumatische schouderluxatie is er vaak een beschadiging van de verschillende structuren. In de meeste gevallen is er een scheur in de bumper (labrum) van de schouder. Dit noemt met een "Bankart-letsel". De gewrichtsbanden stretchen of scheuren. Er ontstaat vaak een deuk achteraan in de kop ten gevolge van een compressie tegen het kommetje. Dit noemt met een "Hill-Sachs-letsel". Bij oudere mensen kan er een scheur van de rotatorcuff ontstaan. Tenslotte kan het kommetje (glenoid) een breuk vertonen. Zelden ontstaat een letsel van de zenuw of bloedvaten (zie foto).

In de overgrote meerderheid van de gevallen ontwricht de schouder naar voor. Bij een epilepsie-aanval of per uitzondering kan de schouder ook naar achter ontwrichten.

Indien met op jonge leeftijd (jonger dan 30 jaar) een schouderluxatie heeft gehad, is er een duidelijk verhoogde kans dat dit zich op termijn opnieuw zal voordoen.

Schouder_6.jpg

   Symptomen

Bij een schouderluxatie kan men de schouder niet meer bewegen en is deze vaak gefixeerd in een bepaalde positie. Bij een instabiliteit van de schouder wordt pijn uitgelokt bij extreme bewegingen (abductie, exorotatie).

   Diagnose

Uw arts kan door de schouder te onderzoeken een aantal klinische tests uitvoeren die positief zijn bij een instabiliteit van de schouder.

Bij een schouderluxatie kan de diagnose vaak klinisch worden gemaakt. De volgende stap is het nemen van een röntgenfoto om onderliggende breuken uit te sluiten alvorens de schouder te reduceren.

Bij blijvende instabiliteit of herhaalde ontwrichtingen wordt een scan (CT of NMR) aangevraagd. Hiervoor wordt door de radioloog een inspuiting met contrast gegeven in de schouder om de anatomische structuren beter te evalueren.

Slijtage van de schouder (schouderarthrose)

De schouder is (zoals elk gewricht) bekleed met een laag kraakbeen. Dit kraakbeen zorgt ervoor dat de bol van de schouder soepel in het kommetje gijdt. Wanneer er slijtage van het kraakbeen ontstaat, spreekt men van "arthrose". Versleten kraakbeen kan niet meer hersteld worden (zie foto).

Wat zijn de redenen voor het ontstaan van schouderarthrose?

  • Spontaan: door ouderdom en erfelijke factoren (sommige mensen zijn hier gevoeliger voor)
  • Ten gevolge van een reumatische aandoening (bv: reumatoïde arthritis, tast meerdere gewrichten aan, zeer destructief)
  • Na een breuk in het schoudergewricht
  • Na een infectie van het gewricht
  • Na een avasculaire necrose van de schouderkop (afsterven van de kop door het onderbreken van de doorbloeding)

Schouder_7.jpg

   Symptomen

Mensen met arthrose van de schouder klagen van pijn in de schouder (vooral bij beweging), zwelling en verstijving van de schouder. Heel vaak gaat dit gepaard met nachtelijke pijn. De dagelijkse activiteiten (zich wassen, koken, poetsen, ...) worden hierdoor ernstig beperkt.

   Diagnose

Uw arts zal eerst de schouder onderzoeken. De volgende stap is het nemen van een röntgenfoto. Hierop kan de diagnose vaak eenvoudig worden gesteld. Om de graad van slijtage beter te beoordelen, wordt een scan (CT of NMR) aangevraagd. Vaak wordt hiervoor door de radioloog een inspuiting met contrast gegeven in de schouder om de anatomische structuren beter te evalueren.

De heup

Anatomie van het heupgewricht

  • Het heupgewricht is de verbinding tussen het bekken en het dijbeen. De heupknop draait in de heuppan bij het bewegen van de heup.

  • Het dijbeen (femur) betaat uit de schacht, de hals en de kop.

  • De kop is bekleed met kraakbeen evenals de heuppan (acetabulum).

  • In een gezond gewricht zit een zacht laagje kraakbeen dat "geolied" wordt door het gewrichtsvocht.

  • Het kraakbeen van de heupkop en van het acetabulum vormen samen de gewrichtsspleet op een RX (men ziet het kraakbeen niet op een röntgenopname).

  • Bij artrose (slijtage) zijn deze kraakbeenlaagjes versleten en wrijft het harde, ruwe bot op elkaar en dat veroorzaakt pijn en meer gewrichtsvocht. Men ziet op een RX dat de gewrichtsspleet vernauwt of zelfs verdwijnt.

Heup_1.jpg Heup_2.jpg

De belangrijkste aandoeningen van de heup


Coxartrose of slijtage van het heupgewricht


Wat gebeurt er?

Het zachte, gladde kraakbeen gaat afslijten tot op het bot en ruwer worden. Dit geeft pijn bij beweging, er kan ook ontsteking en vochtproductie optreden waardoor de patiënt eventueel ook pijn 's nachts of in rust krijgt.

Heup_3.jpg

Symptomen

De klachten kunnen nogal fel variëren; er kan pijn optreden bij het rechtkomen, stappen, trappen lopen, draaien, schoenen of kousen uit- of aantrekken, ... (mechanische pijn).

Men kan ook pijn in rust en 's nachts hebben (inflammatoire pijn).

De lokalisatie kan ook nogal verschillen: pijn in de lies-regio, pijn in de bil, pijn in het (boven)been tot zelfs pijn in de knie!

Diagnose

Meestal kan de diagnose van artrose gesteld worden door een simpele radiografie (RX) van de heup en het bekken. Dure onderzoeken zoals MRI (magnetische resonantie) of CT-scan zijn meestal niet nodig.

Heup_4.jpg
Uitgesproken heupartrose links, matige artrose rechts

Trochanteritis


Wat is dat?

Trochanteritis is een verzamelnaam van een aantal problemen rond de grote trochanter (dit is de "grote knobbel" die men aan de zijkant van de heup voelt).

Rond deze grote trochanter zitten een aantal slijmbeurzen die kunnen ontsteken meestal door frictie van het overliggend peesblad (fascia lata).

Er zitten ook een aantal spieren met pezen vast aan die grote trochanter, deze pezen kunnen ook ontsteken en zelfs scheuren door o.a. slijtage.

De pezen kunnen door chronische overbelasting zelfs een reactie in het bot van de grote trochanter teweeg brengen.

Symptomen

Pijn gelokaliseerd ter hoogte van de grote trochanter soms uitstralend naar de buitenzijde van het been tot aan de knie, soms uitstralend naar boven toe.

Van een bursitis of slijmbeursontsteking wordt men 's nachts nogal eens wakker, men kan er niet op liggen.

Rechtkomen, trappen lopen of gewoon stappen kan pijnlijk zijn.

Diagnose

Klinisch is de zone meestal zeer gevoelig.

Een klassieke RX van de heup en een staande opname van het bekken zijn aangewezen.

Een echografie, een magnetische resonantie of een skeletscintigrafe (botscan) kunnen in sommige gevallen aangewezen zijn.

Femoroacetabular impingement of inklemmen van het heupgewricht


Wat is FAI?

Een vaak miskende pathologie: typisch is de zogenaamde "adductoren pijn" in de lies bij de voetballers waar er helemaal niets mis is met de spieren of pezen.

Bij FAI is er ofwel een benige "knobbel" (bump of Cam-letsel) vooraan op de hals van het femur net onder de kop van de heup, deze bump klemt zich vast in het heupgewricht wanneer de patiënt zijn heup plooit (Cam impingement). Ofwel is de heuppan te omvattend rond de femurkop waardoor deze minder kan bewegen (Pincer impingement). Deze vormen kunnen ook samen optreden.

Op een bepaald moment kunnen door deze inklemming letsels ontstaan: kraakbeenletsels, labrumscheuren (een rand rond de heuppan in bindweefselige structuur) en botcystes. Op langere termijn geeft dit artrose van de heup en dit bij jonge patiënten.

Heup_7.jpg Heup_8.jpg

Symptomen

Het is zeer belangrijk om eraan te denken bij jonge sportieve patiënten met heuppijn omwille van het risico op vroegtijdige slijtage van de heup.

Bij gevechtsporten, volleybal en voetbal komt het veel voor; bij atletiekers tot 35%!

Men klaagt van pijn in het gewricht, het zogenaamde "C-sign".

Heup_9.jpg

Diagnose

Bij klinisch onderzoek zijn de impingement testen positief.

Een klassieke RX van de heup toont meestal weinig; er is een bijkomende opname nodig: de Dunn-profiel opname! Een RX van het bekken is ook nuttig.

Heup_10.jpg

Bijkomend is meestal een arthro CT-scan of een artrho-MRI noodzakelijk om de kraakbeenletsels en de labrumletsels de bekijken.

De voet

Waarvoor dienen voeten

Voeten zijn bedoeld om op te staan en om op te lopen.  De voet is hiervoor perfect geconstrueerd.  De samenstelling van de botten en bindweefsels zijn zo stevig, dat de spieren niet hoeven te werken wanneer iemand staat.  Op deze manier kunnen mensen langere tijd staan zonder dat er noemenswaardige vermoeidheid optreedt.

De opbouw van uw voet

Uw voeten staan aan de basis van uw skelet. Uw voet bestaat  uit een complexe structuur van 26 verschillende botjes die met elkaar verschillende gewrichten vormen. Door stevige bindweefselstructuren (ligamenten) worden de botstukjes bij elkaar gehouden. Deze botten en ligamenten samen bepalen het model van de voet. De spieren en pezen welke aanhechten op bepaalde botstukjes zorgen ervoor dat uw voet kan bewegen. De voet wordt vaak verdeeld in de achtervoet, de voorvoet en de tenen.

voet1.jpg

De achtervoet bestaat uit het sprongbeen en het hielbeen
De voorvoet bestaat uit het scheepvormige been, het dobbelsteenvormige been, de drie wigvormige beentjes en de vijf middenvoetsbeentjes.
De tenen: de grote teen bestaat uit twee kootje en de overige tenen uit drie kootjes.

De combinaties van deze botjes vormen de gewrichten:
Bovenste spronggewicht
Dit gewricht wordt gevormd door het bovenste deel van het sprongbeen, het kuitbeen en het scheenbeen.  Dit wordt ook het enkelgewricht genoemd.  Het kuitbeen en het scheenbeen zijn vergroeid met elkaar en vormen zo een stevige "vork" waartussen het sprongbeen (talus) zit.

Het onderste spronggewricht
Het onderste vlak van het sprongbeen vormt samen met het hielbeen het onderste spronggewricht.

Het middenvoetsgewricht
Het hielbeen en het sprongbeen vormen samen met de voorvoet het middenvoetsgewricht.

Gewrichten van de tenen
Samen met de middenvoetsbeentjes vormen de tenen gewrichten.  De kootjes van de tenen vormen eveneens gewrichten.

Bewegingen

Het enkelgewricht lijkt een beetje op een scharnier van een deur. Dit gewricht kan naar boven en beneden bewegen. Het onderste spronggewricht is ook een scharniergewricht. Hierdoor kan de voet van binnen respectievelijk naar buiten worden gekanteld. Het middenvoetsgewricht kan de voorvoet ten opzichte van de achtervoet naar buiten of naar binnen bewegen.

Onze voeten maken het dankzij deze bijzondere structuur mogelijk om ons soepel te kunnen voortbewegen en tevens gedurende een lange periode stabiel te blijven staan. Wees daarom zuinig op uw voeten en behandel ze met zorg!

 
 

Inhoudsopgave

De knie
De schouder
De heup
De voet

De knie

Meniscusscheur

De operatie gebeurt in de dagkliniek.
Een arthroscopie (kijkbuisoperatie) wordt uitgevoerd onder rachi-anaesthesie (verdoving met prik in de rug) of korte algemene narcose. Via een kleine steekopening wordt een miniatuur lens in de knie ingebracht. De lens is in verbinding met de camera. Op het televisiescherm kan de chirurg de operatie en zijn handelingen vervolgens volgen. De knie wordt gevuld met fysiologisch vocht. Vervolgens worden nog twee steekopeningen gemaakt: één om de knie te spoelen en één om miniatuur-instrumenten in de knie te brengen.
Bij een meniscusscheur zal het gescheurde deel van de meniscus verwijderd worden door middel van kleine kniptangen. Er wordt hierbij zoveel mogelijk gezond meniscusweefsel bewaard.

Nabehandeling:
Patiënt(e) mag meteen de knie vrij bewegen en steunen met één kruk gedurende een week.
Torsie-bewegingen dienen vermeden te worden.
Vijfmaal per dag de knie koelen met een ijsverband.
Antistolling spuitjes worden voor 10 dagen voorgeschreven tegen trombose.
Na 12 dagen zal de huisarts de knie controleren en tevens de drie hechtingen verwijderen.

In sommige gevallen is het mogelijk de meniscusscheur arthroscopisch te hechten.
Meestel hebben we te maken met een traumatische hengselscheur bij jongere patiënten. In dit geval zal de chirurg via het steekgaatje één of meerdere hechtingen door de meniscusscheur aanbrengen.

Nabehandeling:
Patiënt(e) mag meteen steunen met twee krukken op geleide van de pijn.
Diepe flexie door de knie en torsie-bewegingen zijn tegen aangewezen de eerste 6 weken postoperatief.
Onder begeleiding van de kinesist zullen progressief gesloten en open ketenoefeningen voor de dijspieren worden uitgevoerd vanaf de derde week.
Risiscosporten worden de eerste 3 maanden vermeden.

Voorste kruisbandscheur

Bij de operatie die onder narcose gebeurt of met een rachi-verdoving (ruggeprik), zal gebruik gemaakt worden van één of twee pezen uit de dij. Via een kleine incisie onder de knie worden de pezen gepreleveerd.
Van deze pezen worden dan een nieuwe bundel als voorste kruisband gemaakt. Zoals bij elke arthroscopie van de knie, worden kleine steekgaatjes gemaakt waardoor enerzijds de kijkbuis wordt geplaatst en anderzijds de miniatuur-instrumenten.
De nieuwe kruisbandbundel wordt in de knie gebracht via 2 bottunnels op de plaats waar de oorspronkelijke kruisband stond. De nieuwe kruisband wordt tenslotte met kleine resorbeerbare pinnen gefixeerd.

Meteen na de operatie wordt een extensie-brace aangelegd die de knie gestrekt houdt. De patiënt heeft namelijk de neiging de knie te buigen. Achteraf kan het dan in de revalidatie moeilijk worden om volledige strekstand van de knie te bekomen. De spalk zal vooral 's nachts de eerste 3 weken gebruikt worden. Om de zwelling te beperken zal de knie meerdere malen per dag gekoeld worden met ijs (cold pack) en dient het been in hoogstand te blijven.

Reeds in de eerste uren na de operatie, mag de patiënt zijn benen bewegen. Dit is trouwens goed tegen trombose (bloedklonter) vorming.
Het been wordt de eerste dag na de operatie door de kinesist op de CPM geplaatst (Continuous Passive Motion) waarbij de knie vanzelf gebogen wordt tussen 0° en 90°. Teven begint de patiënt partieel belastend te stappen met 2 krukken.

Na 2 weken wordt nog 1 kruk voor 1 week gebruikt.
De krukken dienen om plotse draaibewegingen te vermijden en de knie te ontlasten. Indien nodig zal de derde week een scharnierbrace worden gebruikt.

Meestal zal één overnachting in het ziekenhuis voldoende zijn. Bij ontslag krijgt de patiënt een voorschrift voor pijnmedicatie. Tevens zal een voorschrift voor Enoxaparine spuitjes tegen tromboflebitis worden meegegeven voor 4 weken.

De huisarts zal de patiënt 2 weken postoperatief zien voor controle en de hechtingen verwijderen.

Een controle-afspraak op de afdeling orthopedie wordt afgesproken 1 maand postoperatief.

Eenmaal thuis, kan de patiënt rustig verder oefenen met o.a. het been lost te laten zwieren zittend op de rand van een tafel.

In de kliniek zal door de kinesist reeds "gesloten keten"-oefeningen voor de quadriceps worden uitgelegd. Meestal kan na 1 week op de hometrainer worden gefietst.
Extensie (volledige strekstand) postuur-oefeningen zullen tevens worden uitgevoerd.

In de volgende weken zal de kinesist begeleiden bij het verbeteren van de kniefunctie en met toenemende belasting de "gesloten keten"-oefeningen van de quadriceps doorvoeren.
Ook de hamstrings zullen isometrisch en isotonisch worden geoefend.

Vanaf de zesde week zal de kinesist ook veel aandacht besteden aan proprioceptie-oefeningen.

"Open keten"-oefeningen voor de quadriceps en lopen op de loopband kunnen gestart worden na 2 maanden postoperatief.

Sporthervatting is meestal mogelijk tussen 6 en 9 maanden, waarbij contactsporten en startstop-sporten (voetbal, basket, ...) best minimum 9 maanden worden vermeden.

Arthrose

    Osteotomie rond de knie

De operatie gebeurt bijna altijd onder narcose.
Meestal wordt een "open wig" techniek in onze dienst gebruikt. Bij grote correcties wordt een "gesloten wig" osteotomie verricht.
Nadien wordt de osteotomie gefixeerd met een hoekstabiele plaat.
Er wordt een redon achtergelaten die de volgende ochtend wordt verwijderd. U krijgt post-operatief een knieband met stijve balleinen.

Bij opname neemt u mee:

  • De ingevulde pré-operatieve vragenlijst
  • Uw medicatielijst
  • 2 krukken
  • Het pré-operatief onderzoek van de huisarts samen met labo en EKG-onderzoek
  • Indien u bloedverdunners neemt, moet dit tijdig worden gemeld aan uw behandelende arts en eventueel gestopt worden

U bent vanaf middernacht nuchter.

Post-operatief:
Onmiddellijk na de operatie mag u de benen bewegen op geleide van de pijn. Indien u uit bed wil komen, vraagt u hulp van een verpleegkundige. De knie wordt gekoeld met ijs (cold pack) verschillende malen per dag gedurende de eerste weken.
De eerste dag na de operatie komt de kinesist bij u langs.
Er wordt gestart met het CPM (kinetec) apparaat. U kunt thuis een CPM-apparaat huren (via Spronken). Ook kan een hometrainer nuttig zijn. Door regelmatig kort te fietsen, houdt u de knie soepel.
U mag op geleide van de pijn het been belasten met krukken.

Ontslag zal mogelijk zijn één à twee dagen na de operatie.
Bij ontslag krijgt u een voorschrift voor Clexane tegen trombose. Dit dient u 4 weken dagelijks te nemen.

Verder krijgt u een voorschrift voor pijnmedicatie en een ontslagbrief voor de huistarts. De huisarts zal de hechtingen verwijderen 14 dagen post-operatief. Er wordt ook een voorschrift gemaakt voor de kinesist. Tenslotte krijgt u een afspraak voor een controle-onderzoek op de afdeling orthopedie 4 weken post-operatief.

Genezing moet tussen de 3 en 4 maanden worden verwacht.
Roken vertraagt in belangrijke mate de genezing!

    De unicondylaire knieprothese

De behandeling staat volledig omschreven in de informatiebrochure. Deze brochure is te bekijken via deze link.

    De totale knieprothese

De behandeling staat volledig omschreven in de informatiebrochure. Deze brochure is te bekijken via deze link.

De schouder

Impingement

In de eerste plaats zal gestart worden met een conservatieve behandeling. In de acute fase zullen rust, ijs en ontstekingsremmers worden voorgeschreven. Kinesitherapie (met de nadruk op versterkende oefeningen van de schoudergordel) is een belangrijke schakel in de genezing. Corticoidinfiltraties kunnen de inflammatie (onstekingsreactie) sterk doen afnemen.

Indien er onvoldoende verbetering is ondanks een doorgedreven convervatieve behandeling wordt een operatie overwogen. Via een kijkoperatie (enkele gaatjes van +- 4mm) wordt de slijmbeurs weggenomen en de ruimte boven de rotatorcuff groter gemaakt door een stukje van het beenderig dak (acromion) af te schrapen. Deze ingreep gebeurt onder algemene verdoving, eventueel in combinatie met een lokale verdoving (een prik in de hals). Men mag meestal dezelfde dag of de dag nadien het ziekenhuis verlaten. Er mag onmiddellijk begonnen worden met progressieve mobilisaties van de schouder. De revalidatie bedraagt 2 tot 4 maanden. Na de operatie kan een verstijving van de schouder ontstaan (frozen shoulder) waarvoor intensieve kinesitherapie zal worden gegeven. Er bestaat een klein risico op blijvende pijnklachten. Andere complicaties zoals infectie, wondproblemen, zenuwletsels, ... komen slechts zelden voor.

Verkalking van de rotatorcuff

In de eerste plaats zal gestart worden met een convervatieve behandeling. In de acute fase zullen rust, ijs en ontstekingsremmers worden voorgeschreven. Corticoidinfiltraties worden gegeven om de ontstekingsreactie te doen afnemen maar zullen de verkalkingen niet doen oplossen. Met ESWT (Extracorporeal Shock Wave Therapy) kan men trachten de verkalking op te lossen. Hierbij worden met een apparaat hoogenergetische geluidsgolven op de verkalking gericht om zo deze te verbrijzelen (te vergelijken met niersteenverbrijzeling).

Indien er onvoldoende verbetering is ondanks een doorgedreven conservatieve behandeling wordt een operatie overwogen. Via een kijkoperatie (enkele gaatjes van +- 4mm) kan de verkalking worden weggenomen. Deze ingreep gebeurt onder algemene verdoving, eventueel in combinatie met een lokale verdoving (prik in de hals). Men mag meestal dezelfde dag of de dag nadien het ziekenhuis verlaten. Er mag onmiddellijk begonnen worden met progressieve mobilisaties van de schouder. De revalidatie bedraag 2 to 4 maanden. Na de operatie kan een verstijving van de schouder ontstaan (frozen shoulder) waarvoor intensieve kinesitherapie zal worden gegeven. Er bestaat een klein risico op blijvende pijnklachten. Andere complicaties zoals infectie, wondproblemen, zenuwletsels, ... komen slechts zelden voor.

Scheur van de rotatorcuff

Niet operatief:
In de acute fase zullen rust, ijs en ontstekingsremmers worden voorgeschreven.
Kinesitherapie (met de nadruk op de versterkende oefeningen van de schoudergordel) is een belangrijke schakel in de genezig. Door andere spieren van de rotatorcuff te trainen kan de functie van de gescheurde pees deels worden overgenomen. Corticoidinfiltraties kunnen de inflammatie (onstekingsreactie) sterk doen afnemen.

Operatief:
Bij jonge mensen of bij ouderen met blijvende klachten zal een herstel worden uitgevoerd van de rotatorcuff. Dit kan via een open procedure of een kijkoperatie. Op onze dienst wordt dit in de meeste gevallen via een kijkoperatie (enkele gaatjes van +- 4mm) gedaan. Met kleine botankers (schroefjes met draden aan) wordt de pees opnieuw vastgehecht aan de bovenarm. Deze ingreep gebeurt onder algemene verdoving, eventueel in combinatie met een lokale verdoving (prik in de hals). Men mag meestal 1 of 2 dagen nadien het ziekenhuis verlaten. Na de operatie wordt een draagdoek met of zonder een klein kussen voorzien voor de duur van +- 6 weken. Er mag onmiddellijk begonnen worden met voorzichtig pendelen van de schouder. Na enkele weken zal kinesitherapie gestart worden. De eerste 4 à 6 weken mag je de schouder niet zelf opheffen (wel geassisteerd door de gezonde arm of door de kinesist). Na 6 weken zal de kinesitherapie worden opgedreven om de beweeglijkheid volledig te herwinnen. Na 3 maanden zal de nadruk vooral liggen op het herwinnen van de kracht. De revalidatie bedraagt minsten 4 tot 6 maanden. Na de operatie kan een verstijving van de schouder ontstaan (frozen shoulder) waarvoor intensieve kinesitherapie zal worden gegeven. Er bestaat een klein risico op blijvende pijnkrachten en krachtsverlies. Andere complicaties zoals infectie, wondproblemen, zenuwletsels, ... komen slechts zelden voor.
Het is belangrijk te beseffen dat deze ingreep gepaard gaat met een lange revalidatie. Een positieve ingesteldheid en gemotiveerde revalidatie zullen het herstel zeer gunstig beïnvloeden!

Frozen shoulder

In de acute fase zullen rust, ijs en ontstekingsremmers worden voorgeschreven.
Kinesitherapie wordt in de acute fase voorzichtig opgestart. In een volgende fase kunnen intensieve stretchoefeningen worden gegeven. Corticoidinfiltraties in het gewricht geven vaak een zeer gunstig resultaat.

Bij onvoldoende beterschap wordt in zeldzame gevallen een operatieve ingreep overwogen. Hierbij wordt via een kijkoperatie (enkele gaatjes van +- 4mm) het kapsel circulair los geknipt. Deze ingreep gebeurt onder algemene verdoving, eventueel in combinatie met een lokale verdoving (prik in de hals). Men mag meestal 1 of 2 dagen nadien het ziekenhuis verlaten. Er zal onmiddellijk postoperatief intensieve kinesitherapie worden gestart om te voorkomen dat het kapsel opnieuw verkleefd. Complicaties zoals infectie, wondproblemen, zenuwletsels, ... komen slechts zelden voor.

Schouderinstabiliteit en schouderluxatie (ontwrichting)

Een acute schouderluxatie zal onder lichte verdoving terug worden gereduceerd met een tractiemanoeuvre. Nadien zal een draagdoek worden gegeven en een korte periode van immobilisatie. Nadien zal gestart worden met kinesitherapie waarbij de spieren van de schoudergordel worden versterkt om een nieuwe ontwrichting te voorkomen.

In geval van blijvende instabiliteit of herhaalde luxaties zal een operatief herstel worden overwogen. De beslissing om te opereren en het type van operatie hangt af van de letsels, de leeftijd van de patiënt, zijn graad van activiteit en zijn sportactiviteiten.

Bij een stabilisatie van de schouder wordt ofwel de bumper herteld (Bankartherstel) ofwel een botblokje vooraan geplaatst (Bristow-Latarjet).

Een Bankartherstel kan via een open procedure of een kijkoperatie. Op onze dienst wordt dit in de meeste gevallen via een kijkoperatie (enkele gaatjes van +- 4mm) gedaan. Met kleine botankers (schroefjes met draden aan) wordt de bumper (labrum) opnieuw vastgehecht aan het kommetje. Deze ingreep gebeurt onder algemeen verdoving, eventueel in combinatie met een lokale verdoving (prik in de hals). Men mag meestal de volgende dag het ziekenhuis verlaten. Na de operatie wordt een draagdoek voorzien voor de duur van +- 4 à 6 weken. Er mag onmiddellijk begonnen worden met voorzichtig pendelen van de schouder. Na enkele weken zal kinesitherapie gestart worden. Na 3 maanden mogen de sportactiviteiten voorzichtig hervat worden. De revalidatie bedraagt minstens 3 tot 6 maanden. Na de operatie kan een verstijving van de schouder ontstaan (frozen shoulder) waarvoor intensieve kinesitherapie zal worden gegeven. Er bestaat een klein risico op recidiverende luxaties. Andere complicaties zoals infectie, wondproblemen, zenuwletsels, ... komen slechts zelden voor.

Indien er een ernstig botverlies is vooraan op het kommetje wordt een Bristow-Latarjet procedure uitgevoerd. Hierbij wordt de processus coracoideus (beenderig uitsteeksel vooraan op het schouderblad) losgemaakt en met schroeven gefixeerd vooraan op het kommetje (glenoid). Hierdoor ontstaat er een beenderige bumper die een ontwrichting zal voorkomen. Deze ingreep gebeurt onder algemene verdoving, eventueel in combinatie met een lokale verdoving (prik in de hals). Men mag meestal na 1 of 2 dagen het ziekenhuis verlaten. Na de operatie wordt een draagdoek voorzien voor de duur van +- 4 à 6 weken. Er mag onmiddellijk begonnen worden met voorzichtig pendelen van de schouder. Na enkele weken zal kinesitherapie gestart worden. Na 3 maanden mogen de sportactiviteiten voorzichtig hervat worden. De revalidatie bedraagt minstens 3 tot 6 maanden. Na de operatie kan een verstijving van de schouder ontstaan (frozen shoulder) waarvoor intensieve kinesitherapie zal worden gegeven. Er bestaat een klein risico op recidiverende luxaties. Andere complicaties zoals infectie, wondproblemen, zenuwletsels, ... komen slechts zelden voor.

Slijtage van de schouder (schouderarthrose)

Conservatief:
Het aangetaste kraakbeen kan niet hersteld worden. In de eerste plaats zal gestart worden met een conservatieve behandeling. Pijnstillers en ontstekingsremmers worden voorgeschreven. Met kinesitherapie kan de schouder soepeler worden gemaakt. Corticoidinfiltraties kunnen de inflammatie (ontstekingsreactie) sterk doen afnemen en hierdoor tijdelijk een zeer gunstig resultaat geven. kraakbeensupplementen oraal (glucosamine, chondroïtine) geven mogelijk een gunstig effect hoewel dit voor de schouder nog niet wetenschappelijk bewezen is. Er kunnen ook kraakbeensupplementen in gelvorm in het schoudergewricht worden gespoten (hyaluronzuur). Ook dit kan tijdelijk een gunstig resultaat geven.

Arthroscopie:
Indien er onvoldoende verbetering is ondanks een doorgedreven conservatieve behandeling, wordt een operatie overwogen. Via een kijkoperatie (enekel gaatjes van +- 4mm) kan de schouder worden "opgekuist". Hierbij worden de losse stukjes kraakbeen verwijderd en de afbraakstoffen weggespoeld. Deze ingreep gebeurt onder algemene verdoving, eventueel in combinatie met een lokale verdoving (prik in de hals). Men mag meestal dezelfde dag of de dag nadien het ziekenhuis verlaten. Er mag onmiddellijk begonnen worden met progressieve mobilisaties van de schouder. Het resultaat zal sterk afhangen van de graad van slijtage en is vaak slechts tijdelijk. Na de operatie kan een verstijving van de schouder ontstaan (frozen shoulder) waarvoor intensieve kinesitherapie zal worden gegeven. Andere complicaties zoals infectie, wondproblemen, zenuwletsels, ... komen slechts zelden voor.

Schouderprothese:
Indien de slijtage te ver gevorderd is en bij invaliderende klachten dient een schouderprothese te worden geplaatst. Hierbij worden de beschadigde gewrichtsoppervlakten vervangen door implantaten (meestal metaal en polyethyleen). Indien enkel de humeruskop is aangetast dient enkel de kop te worden vervangen. Dit kan door een hemiprothese of een stemloze prothese (resurfacing). Indien ook het kommetje (glenoid) is aangetast, dient een totale prothese te worden geplaats (foto). Wanneer niet alleen het kraakbeen is aangetast maar ook de schouderpees (rotatorcuff) onherstelbaar is beschadigd kan geen anatomische prothese worden geplaatst. De schouderprothese zou naar boven migreren en de functie van de schouder zou ernstig verstoord blijven omdat de schouderpees afwezig is. In dit geval dient een omgekeerde prothese (deltaprothese) te worden geplaatst. De bol van de prothese komt op de plaats van het kommetje en het kommetje komt op de bovenarm. Hierdoor wordt het scharnierpunt naar binnen verplaatst waardoor de hefboom van de deltaspier vergroot. Deze deltaspier kan zo de functie van de schouderpees overnemen en de arm doen opheffen (foto).

Het plaatsen van een schouderprothese gebeurt onder algemene verdoving. Men mag na enkele dagen het ziekenhuis verlaten. Er worden na de operatie onder leiding van de kinesist oefeningen gestart. De totale revalidatie duurt zeker 4 tot 6 maanden. De pijnklachten worden met deze ingreep in de meeste gevallen zeer goed behandeld. De beweeglijkheid verbetert tot een functioneel niveau maar een volledig herstel van de mobiliteit in onwaarschijnlijk. Gekende complicaties zoals infectie, wondproblemen, zenuwletsels, ... komen slechts zelden voor. Na een aantal jaar (10 à 15 jaar) kan de prothese loskomen. Tenslotte bestaat er een klein risico op ontwrichting van de schouder.

Schouder_8.jpg Schouder_9.jpg

De heup

De belangrijkste aandoeningen van de heup


Coxartrose of slijtage van het heupgewricht


Medicamenteuze behandeling

Bij beginnende slijtage kan best Paracetamol gegeven worden tegen de pijn en dient men zijn activiteiten aan te passen.

Ontstekingsremmers helpen meestal ook wel maar hebben veel bijwerkingen, zeker wanneer ze langer genomen worden.

Het nut van allerlei voedingssupplementen is niet echt wetenschappelijk bewezen.

Eventueel kan een inspuiting met hyaluronzuur ("gel spuit") in het gewricht gespoten worden, maar de resultaten zijn wisselend.

Chirurgische behandeling

In zeer uitzonderlijke gevallen van arthrose (bv dysplasie) bij zeer jonge patiënten kan een osteotomie van het bekken en/of het femur overwogen  worden als er aan bepaalde criteria voldoen wordt.

Een artroscopie of kijkoperatie van de heup is ook geen definitieve behandeling, maar kan soms bij beginnende slijtage met een los stuk kraakbeen of bij een blokkerende gewrichtsmuis wat tijdelijke verbeteringen geven.

Een definitieve oplossing is een totale heupprothese ("een nieuwe heup") of artroplastiek van de heup.

Heupprothese

Bij deze operatie wordt de versleten heupkop vervangen door een steel (die in het dijbeen geplaatst wordt) met een kopje er op en de uitgesleten heuppan wordt uitgefreesd en hierin wordt een nieuwe pan geplaatst waarin het kopje past. Zie uitgebreid hoofdstuk "Totale heupprothese".

Heup_5.jpg Heup_6.jpg

Er zijn verschillende soorten heupprotheses, de chirurg zal steeds de meest ideale prothese voor u kiezen, afhankelijk van onder andere uw leeftijd, activiteit, gewoontes, ... U kunt dit steeds met uw chirurg bespreken.

Trochanteritis


Behandeling

Een scheefstand van het bekken of een lengteverschil van beide benen kan een oorzaak zijn van overbelasting aan één kant.

Een zooltje of steunzolen kunnen dus soms nuttig zijn, verder een korte periode ontstekingsremmers en wat kinesitherapie.

Indien geen beterschap kan een infiltratie geprobeerd worden.

In de meeste gevallen kan men het conservatief (zonder operatie) oplossen.

Een operatie bestaat uit het wegnemen van de ontstoken slijmbeurs en een "plastiek van de fascia lata": dit is het peesblad dat over de grote trochanter wrijft. Dit kan met een klassieke of arthroscopische operatie uitgevoerd worden.

Wanneer de spieren gescheurd zijn, moeten deze soms worden gehecht en verstevigd.

Femoroacetabular impingement of inklemmen van het heupgewricht


Behandeling

Een vroegtijdige chirurgische ingreep is in sommige gevallen nuttig om de evolutie naar artrose te stoppen of te vertragen.

Tijdens een kijkoperatie van de heup (heupartroscopie) kan het CAM-letsel (knobbel) worden weggefreesd. Tegelijkertijd kan het kraakbeen bekeken en evt. ook behandeld worden, evenals een labrumscheur.

Heup_11.jpg

Heup_12.jpg Heup_13.jpg
CAM voor het wegfrezen CAM na het wegfrezen

Totale heupprothese

Heup_14.jpg Heup_15.jpg 

Het heupgewricht

Het heupgewricht bestaat uit de heupkom en de heupkop. De heupkom is een onderdeel van het bekken en de heupkop maakt deel uit van het dijbeen (femur). Zowel de heupkop als de keupkom zijn bedekt met kraakbeen. Dit is een zacht beenweefsel dat ervoor zorgt dat de heupkop soepel kan bewegen in de heupkom.

Heup_19.jpg

Waarom een totale heupprothese?

Zolang het kraakbeen van goede kwaliteit is, kan de heup tot op hoge leeftijd optimaal en pijnloos functioneren. Bij sommigen wordt dit kraakbeen echter van mindere kwaliteit waardoor het gaat afslijten. Dit slijtageproces noemt men "artrose". De bewegingen in het heupgewricht zijn dan heel wat minder soepel en verlopen pijnlijk.
Een heupprothese kan deze bewegingen terug soepel laten verlopen zonder dat er pijn optreedt.

Heup_20.jpg Heup_21.jpg
Gezond kraakbeen Aangetast kraakbeen

De totale heupprothese (THP)

Bij een totale heupprothese wordt de heupkom vervangen door een kunstkom en de heupkop wordt vervangen door een metalen steel met daarop een kunstkop.

De arts bepaalt de keuze van het materiaal en hoe de heupprothese wordt vastgezet en dit op basis van de kwaliteit van het bot, uw juiste aandoening en uw leeftijd.

Heup_22.jpg

De totale heupprothese kan op 3 manieren worden vastgezet. Uw orthopedist beslist welke voor u de best geschikte manier van vastzetten is. Hij zal dit op consultatie met u doorspreken.

1) Bij een gecementeerde heupprothese wordt zowel de kunstkom als de steel vastgezet met botcement.
2) Bij een ongecementeerde heupprothese zal de kunstkom en de steel vastgroeien aan het bot.
3) Bij een gecombineerde heupprothese wordt de steel vastgezet met botcement maar de kunstkomt niet.

Uit wat bestaat een heupprothese?

De stem is in titanium wat weinig of geen afstotingsverschijnselen geeft.

De prothese is bekleed met hydroxyapatiet; een microscopisch ruw oppervlak waarop botcellen zich vastzetten en zo zorgen voor de verankering van de prothese. Het gebeurt maar af en toe dat de prothese met botcement vastgezet moet worden.

Het kopje is ofwel een legering van metaal, chroomkobalt ofwel ceramisch (porselein) en het past op het bovenste deel van de stem (conus).

De heuppan is van een soort polyethyleen (plastic), ceramisch of metaal. Een volledige plastic heuppan wordt meestal vastgecementeerd in het bekken. In alle andere gevallen wordt eerst een metalen schotel (koepel) in de de heuppan "pressfit" of met schroeven gefixeerd. Daarin komt de plastic, de metalen of ceramische "insert" waarin het kopje draait.

Sommie van deze duurzame materialen zijn maar gedeeltelijk terugbetaald door de mutualiteit, het verschil wordt meestal terugbetaald door uw hospitalisatieverzekering. Indien u geen verzekering heeft, moet u dat verschil zelf bijpassen. Indien dit een probleem is, moet u dat met uw orthopedisch chirurg bespreken, eventueel moet er dan voor een ander "goedkoper" model van prothese gekozen worden.

Het dijbeen en de heuppan moeten vastgegroeid in het been na een 8-tal weken, maar in geneeskunde is niets 100% zekerheid, in zeldzame gevallen kan dit een reden zijn om terug in te grijpen.

De operatie

Meestal is men gans in slaap, het is nogal lastig om 1 tot 1,5 uur stil op de zij te liggen, maar in sommige gevallen (bv wanneer de longen niet meer goed zijn) kan het toch zijn dat alleen het onderlichaam wordt verdoofd en dan kan men wel wat geluiden horen (rachi anesthesie).

De insnede gebeurt thv de heupknobbel en is meestal tussen de 6 en 15 cm lang naargelang de patiënt magerder of wat dikker is. Om aan het gewricht te geraken, zijn er een 3-tal verschillende operatieve toegangswegen: via posterieure, anterieure of anterolaterale weg. op 2 à 4 maanden is het uiteindelijke resultaat van alle toegangswegen hetzelfde, maar de ene patiënt zal iets sneller zijn krukken kunnen laten dan de andere. De beslissing hangt af van de gewoonte van de chirurg, type prothese, alsook van de patiënt (bv als hij vroeger al een ingreep heeft ondergaan, spierkwaliteit, botkwaliteit, ...).

De femurkop wordt afgezaagd ter hoogte van de femurhals en in het mergkanaal worden progressief in grootte beenraspen ingebracht die de vorm al hebben van de definitieve prothese. Wanneer een proefprothese van welbepaalde maat al een goede stabiliteit heeft, wordt er gestopt en hierna kan de definitieve prothese (stem) worden ingeklopt. Bij dit manoeuvre kan er zeldzaam een barstje in het bot ontstaan waarvoor dan een extra schroefje of cerclagedraad wordt geplaatst. In dat geval mag de patiënt gedurende minstens 4 weken niet zijn volledige gewicht op het been zetten.

Heup_16.jpg Heup_17.jpg

Vervolgens wordt de heuppan uitgefreesd en er de nieuwe heuppan wordt "pressfit" ingeklopt. Daarna wordt een insert (in polyethyleen of ceramisch) ingebracht en er worden testen van stabiliteit uitgevoerd. Hierna wordt beslist welke lengte van kopje (ceramisch of chroomkobalt) geplaatst zal worden.

Hierna kan alles gesloten worden en eventueel wordt er een wonddrain (buisje en een potje) geplaatst om wat oud bloed op te vangen.

Wat is de levensduur van een prothese?

Individueel is dit moeilijk te zeggen, het hangt of van verschillende factoren: de activiteit van de patiënt, de intensiteit van het gebruik, het gewicht van de patiënt en bv ziektes waarbij het immuunsysteem worden aangetast, ...

In het algemeen zijn er van de 100 THP nog 93 goed na 10 jaar. Slijtage is de belangrijkste reden, dan komen er stukjes plastic (polyethyleen) vrij. Deze stukjes worden "opgegeten en verteerd" door speciale cellen (macrofagen) van het lichaam. Maar deze cellen vreten ook het bot aan zodat de prothese loskomt of zelfs kan het bot breken als men er niet tijdig bij is.

Daarom is er een controle om de 2 à 5 jaar aangewezen. De materialen (ceramisch en speciaal bewerkte polyethyleen insert) van nu slijten gelukkig veel minder. De resultaten hiervan zullen pas in de toekomst gekend zijn.

Heup_18.jpg

Een prothese kan indien nodige meerdere malen vervangen worden, maar het resultaat van een heringreep is niet altijd zoals de eerste ingreep.

Wat mag ik met een heupprothese doen?

Meestal mag men volledig steunen na de ingreep. Als het bot broos is, kan er een barst of een breuk in het bot optreden. Deze wordt indien nodig tijdens de ingreep verstevigd met schroef of draad en dan kan het zijn dat men 4 à 6 weken niet volledig mag steunen.

In het begin zijn extreme plooi- en draaibewegingen niet aangewezen, maar na enkele weken mag men de meeste bewegingen terug doen.

Korte harde slagen zijn niet goed bv. van fiets springen, lopen, parachutisme, ...

Golf, dubbeltennis, zwemmen en fietsen zijn geen probleem.

Complicaties

Niets is 100% zeker in de geneeskunde, en iedere chirurg heeft complicaties, maar de belangrijkste behandeling is de preventie ervan.

Gelukkig zijn ze zeldzaam, maar u en wij moeten weten dat ze bestaan om ze zoveel mogelijk te vermijden en indien ze toch ontstaan zo snel en adequaat mogelijk te behandelen.

Er volgt een korte beschrijving

  • Infectie
     
  • Flebitis en trombose
     
  • Luxatie (ontwrichting)
     
  • Lengteverschil
     
  • Bewegingsbeperking
     
  • Fractuur/breuk

Infectie

Een infectie is een ernstige maar gelukkig zeer zeldzame verwikkeling van een THP.

Op elk stofdeeltje (een operatiezaal is niet 100% stofvrij) zitten verschillende microben, ook op onze eigen huis in de poriën zitten er. Er wordt alles gedaan om een infectie te voorkomen: het wassen en ontsmetten van de patiënt, het schrobben en ontsmetten van de armen en handen van de chirurg, steriele kledij, steriele afdekdoeken en materiaal, antibiotica, ...

Waarom krijgt niet iedereen een infectie? Sommige mensen zijn gevoeliger omdat hun afweermechanisme niet meer goed werkt: diabetes (suikerziekte), HIV, ...

Als de infectie opkomt enkele dagen tot weken na de operatie (vroegtijdige infectie) worden er eerst culturen genomen en vervolgens wordt het gewricht gespoeld en antibiotica gegeven, meestal wordt dit zo opgelost. Het is belangrijk dat u GEEN antibiotica inneemt alvorens de culturen door uw chirurg genomen zijn!

Bij koorts van meer dan 38° C of andere tekens van infectie zoals roodheid en toenemende zwelling moet u eerst uw chirurg (of zijn collega bij afwezigheid) zo snel mogelijk contacteren.

Een laattijdige infectie komt dikwijls van een infectienaald elders in het lichaam bv tandabces. Hierbij kunnen bacteriën in de bloedbaan komen en zich op uw heupprothese ("vreemd lichaam") vastzetten. Dit noemt men een hematogene besmetting. Bij elke ontsteking of vuile wonde, waar het ook mag zijn, kan u dus best langs uw huisarts gaan en dit gedurende uw ganse leven. Hij zal dit goed verzorgen en bij twijfel doorsturen.

Bij een laattijdige infectie of wanneer bij een vroegtijdige infectie de bacterie niet behandeld geraakt, moet de prothese meestal verwijderd worden en wordt er een tijdelijke prothese in cement geplaatst tot de infectie onder controle is ("een abces geneest ook niet als de splinter niet verwijderd wordt"). In een 2e tijd wordt dan een nieuwe definitieve heupprothese geplaatst.

Flebitis, diepe veneuze thrombose

Bij iedereen is er wat klontervorming van bloed in de aders van de benen of het bekken na een heupoperatie, bij sommigen is die klonter groter: een thrombose. Wanneer deze klonter zich in het oppervlakkige veneuze (ader) systeem bevindt, spreekt men van een oppervlakkige flebitis of thrombose. Dit is meestal niet zo erg en wordt verder lokaal verzorgd. Een klonter in het diepe veneuze (ader) systeem kan wel gevaarlijk zijn omdat een dergelijke klonter kan loskomen en een longembolie kan veroorzaken. Zeldzaam kan er een klonter loskomen en een longembolie veroorzaken.

We kunnen dit voorkomen door een aantal preventieve maatregelingen te treffen:

  1. Zoveel en zo snel mogelijk bewegen, de dag na de ingreep mag de patiënt al stappen.
     
  2. U zal dagelijks spuitjes in de buik krijgen om het bloed te verdunnen (4 à 6 weken).
     
  3. Soms is het nodig om steunkousen te dragen.

Het gebeurt zeer zelden dat een patiënt ondanks deze preventieve maatregelen toch nog een diepe veneuze thrombose krijgt, meestal heeft de patiënt dan voorbeschikkende bloedziekte. Als u pijn heeft in uw kuit of abnormaal veel pijn in uw been na een heupprothese meldt dit dan zo snel mogelijk aan uw chirurg of huisarts dan kunnen zijn zo snel mogelijk een onderzoek (echo-doppler) laten uitvoeren om een thrombose aan te tonen of uit te sluiten.

Als u vroeger al eens een flebitis of diepe veneuze thrombose gehad heeft, moet u dit ook aan uw chirurg melden.

Luxatie of ontwrichting van de heupprothese ("heup uit de kom")

Er is geen bevestiging tussen kopje en pan, deze worden bij elkaar gehouden door spieren, pezen en het gewrichtskapsel. Als deze zwak of niet genoeg gespannen zijn, kan bij een verkeerde beweging het kopje uit de heuppan springen.

Een luxatie kort na een operatie is meestal ten gevolge van een verkeerde beweging, het kan ook door een minder optimale positie van de heuppan zijn.

De prothese wordt terug op zijn plaats gezet zonder de wonde te openen (reductie), tenzij er bij de luxatie iets los is gekomen of verplaatst is.

Een luxatie na verschillende jaren is ten gevolge van slijtage of loskomen van het polyethyleen (plastic) van de heuppan. Dit kan een reden zijn tot heroperatie. Een habituele luxatie in een vroeg stadium kan ook een reden tot hernemen zijn.

Lengteverschil van de benen

Dit is geen echte complicatie, maar soms een noodzakelijk kwaad om zwakke spieren op te spannen om genoeg stabiliteit te verkrijgen en zo een luxatie te voorkomen. het geopereerde been kan je (bijna) niet verkorten omdat zo het risico op instabiliteit groter wordt.

Meestal is het geopereerde been gelijk van lengte, soms is het dus iets langer maar minder dan 1 cm en dit is niet hinderlijk.

Voor de operatie is er soms al een verschil en als je been, dat voor de operatie al iets langers is, tijdens de operatie ook nog niets langer gemaakt moet worden, kan het nodig zijn om een zooltje in de schoen van het niet geopereerde been te dragen.

Men heeft gedurende enkele weken na een heupprothese de indruk dat het been langer is, in de meeste gevallen zijn de benen nagenoeg gelijk van lengte. Dit wordt na een aantal maanden met een radiografie gecontroleerd.

Fractuur of breuk of barst

Als er tijdens de ingreep een barstje of een breukje ontstaat, wordt dit dadelijk behandeld met een schroefje, een cerclageband en/of een plaat. Dan mag u gedurende enkele weken niet of niet volledig steunen op het been totdat de breuk is geheeld.

Wanneer u valt kan er een breuk rond of onder de prothese optreden waarbij het nodig kan zijn om eveneens een plaat te plaatsen of een nieuwe langere prothese.

Besluit

Zeker niet te veel nadenken over de complicaties, ze zijn gelukkig zeer zeldzaam, en meestal te voorkomen. En indien ze alsnog voorvallen, kunnen ze behandeld worden. Het is belangrijk dat u en wij weten dat ze bestaan. Als men alles op voorhand weet, is er geen reden om angstig te zijn voor de ingreep.

De resultaten van een heupprothese zijn in de meeste gevallen zeer goed. Ze verhogen in grote mate de kwaliteit van het leven doordat men geen pijn meer heeft. Alle activiteiten van het dagelijkse leven kunnen snel worden hernomen.

Informatiebrochure

Een uitgebreide informatiebrochure over de totale heupprothese is beschikbaar via de pagina "Brochures" (onder "Orthopedische heelkunde") of rechtstreeks via deze link.

De voet

 Scarf-Akin operatie

Scarf operatie

TOEGEPAST BIJ MATIGE TOT ERNSTIGE HALLUX VALGUS
De Scarf osteotomie wordt toegepast bij een matige tot ernstige hallux valgus. Uw specialist maakt een lange snee aan de zijkant van uw voet, over de bunion. Er wordt een dun plakje van de bunion weggehaald, zonder dat het gewricht beschadigd wordt. Dan wordt een Z-vormige zaagsnede gemaakt door het middenvoetsbeentje.

voet2.jpg

De twee botdelen worden ten opzichte van elkaar verschoven tot ze in de goede stand staan (zie afbeelding). Dan worden de botdelen aan elkaar vastgezet met twee schroeven die in het bot verzinken. Het gewricht van de grote teen (en de grote teen zelf) blijft beweeglijk. Soms is het nodig om ook een correctie te doen in het eerste kootje van de grote teen waardoor de grote teen nog wat rechter komt te staan (Akin osteotomie).
Ook hamertenen kunnen indien nodig tijdens dezelfde operatie worden gecorrigeerd.

voet3.jpg

Akin operatie

DE AKIN OSTEOTOMIE : CORRECTIE IN HET EERSTE KOOTJE

voet4.jpg

Dit is een correctie in het eerste kootje van de grote teen. Er wordt dan een klein driehoekje bot verwijderd, de brede onderkant van de driehoek bevindt zich aan de binnenzijde van de voet (zie figuur). Als de botdelen vervolgens tegen elkaar worden gedrukt, staat de teen nog wat rechter. De botdelen worden vaak vastgezet met een soort nietje.

voet5.jpg

WEIL osteotomie

Soms wordt de voorvoetpijn veroorzaakt door een verkeerde stand van de middelste middenvoetsbeentjes. Deze kunnen dan operatief in een andere stand gezet worden. Met een operatie worden de middenvoetsbeentjes gebroken en enkele millimeters ingekort of bijvoorbeeld iets omhoog geplaatst. De breuk wordt meestal direct vastgezet met een schroefje. Na de operatie mag u de voet direct belasten op een speciale revalidatieschoen (podalux schoen).

 WEIL osteotomie

 Met deze techniek kan de chirurg nauwkeurig bepalen hoe de stand van het middenvoetsbeentje wordt.

voet6.jpg

Voorbeeld van een verkorting van het middenvoetsbeentje met WEIL osteotomie.

PIP fusie

Een hamerteen of klauwteen is een abnormale stand van een van de tenen. Hierdoor komt er druk op de bovenzijde van de teen door wrijving in schoeisel. Dit leidt op zijn beurt weer tot eeltvorming, likdoorns en soms zelfs wonden. Uiteraard geeft dit, naast schoeisel problemen, vaak pijnklachten.

 voet7.jpg

 Er bestaan verscheidene redenen waarom hamertenen ontstaan. Een doorgezakt voorste voetgewelf, gewrichtsontstekingen (zoals o.a. bij reumatoïde artritis), nauw schoeisel zijn factoren die hiertoe bijdragen.

 

  • PIP plastie
    PIP staat voor Proximaal Inter Phalangeaal of “tussen de teenkootjes”. Hierbij wordt een stukje van het gewricht in de teen weggehaald zodat de teen kan rechtgezet worden.

  • PIP fusie
    Hierbij wordt tevens een stukje van het gewricht weggehaald, doch ditmaal wordt het gewrichtje tijdelijk gefixeerd met een metalen pinnetje. Dit pinnetje blijft aan de tip van de teen uitsteken en dient na 5 tot 6 weken op de consultatie verwijderd te worden.

 voet8.jpg

 Cheilectomie

Het schoonmaken van het grote teengewricht.
Deze operatie is mogelijk wanneer het gewricht nog niet te erg is aangetast. Bij deze operatie worden alle botuitsteeksels (de osteofyten) verwijderd, vooral aan de bovenkant en zijkanten. Hierdoor verdwijnt de bult op het grote teengewricht. Vaak kan de teen na de operatie ook weer wat beter bewegen.

Het voordeel van een cheilectomie is dat het gewricht beweeglijk blijft. Een cheilectomie is een kleine ingreep.

Het nadeel van cheilectomie is dat na de operatie soms wat pijnklachten blijven bestaan. De slijtage in het gewricht zelf blijft bestaan. In de loop van de tijd kan de slijtage toenemen en weer (nieuwe) klachten geven. Bij aanhoudende pijnklachten na cheilectomie kan alsnog een artrodese gedaan worden.

voet9.jpg

Artrodese van de grote teen

Bij artrose is er sprake van een overmatige slijtage van het kraakbeen in het gewricht zelf. Het gladde oppervlak wordt dun en onregelmatig of verdwijnt in zijn geheel. Doordat het kraakbeen in het gewricht verdwijnt, ontstaat er overbelasting van het onderliggende bot. Deze overbelasting veroorzaakt aan de rand van het gewricht vaak botaangroei. Door de slijtage van het gewricht kan het gewricht dik, rood en gevoelig worden. Daarnaast beweegt het gewricht steeds minder soepel zowel door de artrose in het gewricht zelf alsook door de botaangroei aan de rand van het gewricht. Artrose van de grote teen is een regelmatig voorkomende aandoening. Net als bij andere vormen van artrose is er niet één enkele oorzaak voor het ontstaan ervan.
Slijtage van het gewricht kan een ouderdomsverschijnsel zijn, maar ook andere factoren zijn van belang. Aantasting van het gewricht kan het gevolg zijn van een ongeval waarbij bijvoorbeeld een breuk in het gewricht ontstond. Ook kleine beschadigingen door regelmatig verzwikken kunnen een rol spelen. En een ontsteking van het gewricht zoals bij reuma of jicht, draagt bij aan het ontstaan van artrose van de grote teen.
Voor patiënten met ernstige artrose van de grote teen kan een artrodese een oplossing zijn. Dit is een operatie waarbij de botten in het beschadigde gewricht worden vastgezet. De pijn vermindert aanzienlijk of verdwijnt geheel.  

De operatie

Tijdens deze operatie worden de botten in het gewricht aan elkaar vast gemaakt met behulp van pinnen of een plaatje en schroeven. De botten groeien dan aan elkaar vast. Doordat de botten nu niet meer langs elkaar kunnen bewegen, stopt de slijtage en neemt de pijn af.

voet10.jpg

voet11.jpg   voet12.jpg
 artrodese met een plaatje    artrodese met pinnen
 
 
Informatiebrochure

Een uitgebreide informatiebrochure over de voetoperaties is beschikbaar via de pagina "Brochures" (onder "Orthopedische heelkunde") of rechtstreeks via deze link. 

 

 
 

Contactgegevens

Een afspraak maken kan via ons secretariaat in de Statiestraat 47:


     Telefoon: 013 33 48 18
     Fax: 013 32 23 42
     E-mail: orthopedie@azdiest.be

Gipsraadpleging in het AZ Diest via telefoonnummer 013 35 41 23