Maak een afspraak

Een afspraak maken is mogelijk via het secretariaat van Abdominale Heelkunde:

Ma-Vr 09:00 - 16:30 u

Raadplegingen

  Ma Di Wo Do Vr Za Zo
VM    
NM    
AV            

Abdominale heelkunde en proctologie behandelt aandoeningen van maag, darm, lever en galblaas en proctologische problemen.

Niet alle aandoeningen worden hieronder opgelijst, we lichten slechts enkele behandelingen toe.


Gal is een lichaamssap, aangemaakt in de lever. Gal bestaat enerzijds uit afvalstoffen die door de lever uit het bloed worden gezuiverd en anderzijds uit verteringssappen die de lever zelf aanmaakt. Die zijn vooral belangrijk voor de vertering van vetten, inclusief vetoplosbare vitaminen.

De gal wordt vanuit de lever in eerste instantie afgevoerd naar de galblaas, waar deze wordt ingedikt en tijdelijk opgeslagen. De galblaas is dus een reservoir van waaruit de gal uiteindelijk wordt afgevoerd naar de dunne darm. Dit gebeurt doordat de galblaas zich reflexmatig samentrekt, wanneer er na de maaltijd voedsel vanuit de maag in de dunne darm terechtkomt. De afvalstoffen in de gal worden uitgescheiden met de stoelgang, en geven de stoelgang zijn bruine kleur. De verteringssappen in de gal gaan zich mengen met het voedsel om zo de vertering van vetstoffen te bevorderen.

Galstenen

Door een zeker onevenwicht in de samenstelling van de gal kan er zich op de bodem van de galblaas een neerslag of bezinksel vormen. Het gaat dan bijvoorbeeld om neerslag van cholesterolkristallen of bilirubine. Dat bezinksel kan dan samenklonteren tot wat we uiteindelijk galsteentjes noemen.

Klachten:

  • Klassieke klachten: Zolang de galstenen vrij in de galblaas circuleren, veroorzaken zij doorgaans geen klachten.
    Wanneer er bij het ledigen van de galblaas een steentje -al dan niet tijdelijk- klem komt te zitten aan de uitgang van de galblaas of in de afvoerende galweg, zal de galblaas samentrekken tegen een weerstand. Dit veroorzaakt pijn in de bovenbuik, soms vooral rechts en in het midden, vaak ook bandvormig over de ganse bovenbuik. De pijn straalt bovendien niet zelden uit naar de rug, tot tussen de schouderbladen. De pijn kan vaag, knagend van aard zijn (soms niet meer dan een opgeblazen gevoel na het eten), maar kan ook zeer intens zijn. We spreken dan van ‘koliekpijn’, eventueel met ‘bewegingsdrang’ (zó intense pijn dat je er rusteloos van wordt)… oftewel een echte ‘galcrisis’. De pijn wordt doorgaans uitgelokt door een (vetrijke) maaltijd omdat dit het signaal is voor de galblaas om zich - zodra het voedsel in de dunne darm komt - enige tijde later te ledigen, door (krachtig) samen te trekken. Doorgaans trekt de pijn na enkele minuten tot uren spontaan weer weg.
  • Koorts
  • Geelzucht

Behandeling

Niet-chirurgische ingreep

De enige afdoende behandeling voor klachten veroorzaakt door galstenen, is het operatief verwijderen van de galblaas, met de galstenen erin.

Voorafgaand aan de ingreep soms een steentje uit de hoofdgalweg geëvacueerd worden. Dit gebeurt dan dmv een ‘ERCP’-procedure. Bij dit onderzoek wordt er langs de mond een slang ingebracht (‘gastroscoop’), en zal men via de maag en de dunne darm uiteindelijk de monding van de hoofdgalweg opzoeken, om het steentje te bevrijden of een stentje te plaatsen zodat de gal weer kan afvloeien.

Galstenen

Chirurgische ingreep: ‘laparoscopische cholecystectomie’

Het verwijderen van de galblaas gebeurt in meer dan 95% van de gevallen via een kijkoperatie. Dit betekent concreet dat de buik eerst wordt opgeblazen om werkruimte te creëren. Dit gebeurt met koolstofdioxidegas, hetzelfde gas dat we uitademen bij de normale ademhaling. Indien er dus na de ingreep wat gas in de buikholte achterblijft, wordt dat zeer snel via de bloedbaan opgenomen en gewoon weer uitgeademd.

Vervolgens worden er vier tot vijf kleine sneetjes van 5mm tot 15mm in de bovenbuik gemaakt. Via deze sneetjes worden werkkanalen doorheen de buikwand geplaatst, waarlangs de cameralens én verschillende instrumenten om de ingreep uit te voeren kunnen worden ingevoerd tot in de buikholte.

Om de galblaas te kunnen wegnemen dienen we doorgaans twee structuren met zorg apart door te nemen; de zijgalweg en het aanvoerende bloedvat. De galblaas is daarnaast met één zijde verkleefd met de lever en dient dus tot slot losgemaakt te worden van de lever.
De ingreep kan bemoeilijkt worden door verklevingen van voorgaande ingrepen in de bovenbuik of door een ernstige (doorgemaakte) ontsteking, waardoor de afzonderlijke structuren minder duidelijk zichtbaar kunnen zijn. In dat geval is het risico op bepaalde complicaties iets groter (beschadiging van de hoofdgalweg, bloedvat, darm). In zeer uitzonderlijke gevallen kan dit betekenen dat het veiliger is om de kijkoperatie te beëindigen en over te gaan naar een open procedure, via een ‘klassieke’ insnede in de bovenbuik van 15-20cm . Uiteraard zal het herstel hiervan wat langer in beslag nemen dan na een kijkoperatie.

Galstenen operatie

Herstel na de ingreep

In het ziekenhuis

Onmiddellijk na de ingreep krijgt u in eerste instantie vocht en pijnstilling via een infuus toegediend. De kans is reëel dat er een drainagebuisje werd geplaatst in de buik waarlangs het wondvocht wordt afgeleid. Afhankelijk van het uur van aankomst op de afdeling en van uw algemene toestand (misselijkheid) zal men u al dan niet nog dezelfde dag water laten drinken en eventueel zelfs een lichte maaltijd aanbieden. Tijdens de eerste dag(en) is het uiteraard normaal dat u enige vage buikpijn ervaart. Typisch na een kijkoperatie kan daar uitstralende pijn naar de schouder bijkomen; dit komt doordat bij het opblazen van de buik een middenrifzenuw kan geprikkeld worden, die hogerop deels samenloopt met een schouderzenuw. U krijgt systematisch pijnstilling toegediend, waarmee u normaalgezien comfortabel bent maar indien dit niet toereikend is, kan u dit uiteraard aangeven aan uw verpleegkundige. De nood aan pijnstillers neemt haast altijd zeer sterk af binnen de 1 à 2 dagen na de ingreep.
Verder kan u zich nog wat misselijk voelen. Deze misselijkheid verdwijnt meestal de dag zelf nog, maar kan een enkele keer wat langer aanhouden; in dat geval verdwijnt deze bijna altijd binnen de 1 à 2 dagen.
De overgrote meerderheid van de patiënten kan de afdeling binnen de 1 à 2 dagen na de ingreep verlaten. Voor sommigen lukt dit zelfs de dag zelf nog (daghospitalisatie; dit wordt in prinicipe vooraf afgesproken).

Na ontslag uit het ziekenhuis

In de loop van de eerste dagen kan u nog wat hinder ondervinden thv de wondjes én thv de schouders. Een opgeblazen gevoel, vage misselijkheid en een episode van diarree behoren ook nog tot het normale verloop.

Bij volgende problemen vragen we u om opnieuw contact op te nemen met uw huisarts of het ziekenhuis:

  • Pijnklachten die niet verdwijnen na het innemen van de voorgeschreven pijnstillende medicatie
  • Een temperatuursverhoging van 38,0°C of hoger
  • Een wonde die steeds roder wordt en opzwelt
  • Geelzucht

Fysieke activiteit

U kan best ‘relatieve rust’ in acht nemen gedurende twee weken; dit betekent dat u geen zware lasten mag tillen (>10kg of een emmer water), geen zware sportactiviteiten mag beoefenen en geen fysiek belastende arbeid mag verrichten. Autorijden wordt afgeraden de eerste week na de ingreep; te hernemen vanaf 2e-3e week op eigen aanvoelen. Lichtere fysieke belasting zoals wandelen en gelijkmatig fietsen op een hometrainer mag u onmiddellijk hervatten. Na twee weken mag u ook de andere fysieke activiteiten geleidelijk weer opbouwen, op eigen aanvoelen. Met voor de buikspieren zeer belastende sportactiviteiten zoals voetbal, fitness en tennis adviseren we 4-6 weken te wachten.

Voeding

U houdt zich best aan een relatief vetarm dieet gedurende de eerste dagen, nadien geleidelijk aan uit te breiden naar normale voeding binnen 1-2 weken (zie ook aparte dieet-toelichting).

Wondzorg

De wondjes worden nog verzorgd voor uw ontslag uit het ziekenhuis (droog aseptisch verband); de verbandjes mogen nadien dicht blijven zolang ze droog blijven. U mag hiermee onder de douche, maar liefst niet in bad.

Medicatie bij ontslag

Uw thuismedicatie mag in principe opnieuw herstart worden na ontslag. Ivm eventuele bloedverdunners krijgt u apart advies.
Als pijnstilling stellen we paracetamol 1g, tot 4/dag voor (Dafalgan, Paracetamol…). Dit kan zo nodig aangevuld worden met een ontstekingsremmer (diclofenac, ibuprofen…), op voorwaarde dat u nooit een maagzweer hebt gehad en niet lijdt aan een ernstige hart- of nieraandoening.

Afspraken

Controle bij de huisarts te voorzien een tiental dagen na de ingreep, voor een wondcontrole en verwijderen van de hechtpleisters (de hechtingen worden onder de huid geplaatst en zijn oplosbaar).
Een controle bij uw chirurg wordt voorzien een viertal weken na de ingreep.

Complicaties

In de overgrote meerderheid van de gevallen is het verwijderen van de galblaas een relatief beperkte ingreep die mogelijk is via een kijkoperatie, en met een vlot, comfortabel en ongecompliceerd herstel achteraf.

Geen enkele ingreep is evenwel volledig risicovrij uiteraard. Zo bestaat er ook na deze ingreep een kleine risico op algemene chirurgische complicaties als infectie, wondcomplicaties en (na)bloeding, trombose en longontsteking. Zwaarlijvigheid, roken en voorgaande chirurgie verhogen de kans op complicaties. Specifieke en ernstige -maar gelukkig zeer zeldzame- complicaties bij deze ingreep zijn een beschadiging van de hoofdgalweg, bloedvat of darm. Hiervoor kan een heringreep nodig zijn.

Tenslotte is er een kleine kans dat er tijdens de ingreep door manipulatie van de galblaas, een steentje indaalt vanuit de galblaas naar de hoofdgalweg. In dat geval dient dit steentje een zeldzame keer achteraf verwijderd te worden dmv een ‘ERCP’-onderzoek (niet-chirurgische methode via maag en dunne darm).


Een acute appendicitis slaat op een ontsteking van de appendix. Deze ontstaat meestal doordat een propje stoelgang de uitgang van de appendix blokkeert. Hierdoor kunnen de slijmen, die in de appendix geproduceerd worden, de appendix niet meer verlaten en gaat de druk binnenin stijgen. Daardoor gaat de appendix opzwellen en raakt de wand van de appendix geïrriteerd (ontstekingsreactie).

In een volgend stadium kan ook de omgeving van de appendix geïrriteerd raken (vetweefsel, omgevende darmen), waarbij er uiteindelijk bacteriën doorheen de verzwakte appendixwand kunnen ontsnappen. Deze kunnen dan etter vormen rond de appendix, al dan niet opgehoopt in een abces. Wanneer er een echte opening in de wand van de appendix ontstaat, spreken we van een perforatie of een ‘gesprongen’ appendix. Daarbij zal zich op zijn minst een abces(je) vormen op de plaats van de appendix. In een volgend stadium kan de etter verspreid raken over een groot deel van de buikholte of zelfs over de ganse buikholte. Deze evolutie voltrekt zich doorgaans over enkele dagen tot een week en het is uiteraard best om zo vroeg mogelijk in deze evolutie in te grijpen.

Klachten:

  • Pijn rond de navel
  • Misselijkheid en braken
  • Geen hongergevoel
  • Koorts

Een acute appendicitis wordt vastgesteld door een bloedname, echo en eventuele CT scan.

Behandeling

Niet-chirurgische ingreep

Bij een acute appendicitis is het wegnemen van de appendix veruit de beste optie op snelle en definitieve genezing. Met antibioticatherapie is er ook een behoorlijke kans om de situatie onder controle te krijgen, maar er is dan ook een reëel risico dat we na enkele dagen merken dat de antibiotica toch niet afdoend blijken en we alsnog moeten ingrijpen, in veel moeilijker omstandigheden (uitgebreider infectie). Bovendien is er dan natuurlijk ook kans op een nieuwe appendicitis later.

Omgekeerd geven we antibiotica toch soms een kans. Wanneer nl door een ontsteking die al even aan de gang is, de omgevende darmen sterk aan de appendix zijn verkleefd, is er bij een ingreep een sterk verhoogd risico op beschadiging van die omgevende darmen. In zo’n geval proberen we om de ontsteking eerst af te koelen met antibiotica, en in een tweede tijd na 6 weken de appendix alsnog te verwijderen. Die laattijdige operatie wordt uitgevoerd omdat er een reële kans (15-25%) is op een nieuwe appendicitis later.

Chirurgische ingreep: ‘laparoscopische appendectomie’

Het verwijderen van de appendix gebeurt in 99% van de gevallen via een kijkoperatie. Dit betekent concreet dat de buik eerst wordt opgeblazen om werkruimte te creëren. Dit gebeurt met koolstofdioxidegas, hetzelfde gas dat we uitademen bij de normale ademhaling.

Indien er na de ingreep dus wat gas achterblijft in de buikholte, wordt dat zeer snel via de bloedbaan opgenomen en gewoon weer uitgeademd. Vervolgens maken we drie kleine sneetjes van 5 tot 12 mm. Via deze sneetjes plaatsen we werkkanalen doorheen de buikwand, waarlangs we de camera en verschillende instrumenten kunnen invoeren om de ingreep uit te voeren.

Eerst maken we de appendix dan los van zijn aanvoerend bloedvat en vervolgens nemen we hem door aan de overgang naar de dikke darm. Dit gebeurt met draad of nietjes, naargelang de ernst van de ontsteking. De appendix wordt verwijderd langs de navel.

De ingreep kan bemoeilijkt worden door verklevingen van voorgaande ingrepen of door een ernstige (doorgemaakte) ontsteking, waardoor de afzonderlijke structuren minder duidelijk zichtbaar kunnen zijn. In dat geval is het risico op bepaalde complicaties iets groter. In zeer uitzonderlijke gevallen kan dit betekenen dat het veiliger is om de kijkoperatie te beëindigen en over te gaan naar een open procedure, via een insnede in de onderbuik van 10-15cm.

Appendicities

Herstel na de ingreep

In het ziekenhuis

Onmiddellijk na de ingreep krijgt u in eerste instantie vocht en pijnstilling via een infuus toegediend. Afhankelijk van het uur van aankomst op de afdeling en van uw algemene toestand (misselijkheid) zal men u al dan niet nog dezelfde dag water laten drinken en eventueel zelfs een lichte maaltijd aanbieden. Tijdens de eerste dag(en) is het uiteraard normaal dat u enige vage buikpijn ervaart. Typisch na een kijkoperatie kan daar uitstralende pijn naar de schouder bijkomen; dit komt doordat bij het opblazen van de buik een middenrifzenuw kan geprikkeld worden, die hogerop deels samenloopt met een schouderzenuw. U krijgt systematisch pijnstilling toegediend, waarmee u normaalgezien comfortabel bent maar indien dit niet toereikend is, kan u dit uiteraard aangeven aan uw verpleegkundige. De nood aan pijnstillers neemt haast altijd zeer sterk af binnen de 1 à 2 dagen na de ingreep.

Verder kan u zich nog wat misselijk voelen. Deze misselijkheid verdwijnt meestal de dag zelf nog, maar kan een enkele keer wat langer aanhouden; in dat geval verdwijnt deze bijna altijd binnen de 1 à 2 dagen.

De overgrote meerderheid van de patiënten kan de afdeling binnen de 1 à 2 dagen na de ingreep verlaten, maar in gecompliceerder situaties kan dit natuurlijk een stuk langer worden; 7-10 dagen is dan geen uitzondering.

Na ontslag uit het ziekenhuis

Algemeen

In de loop van de eerste dagen kan u nog wat hinder ondervinden thv de wondjes én thv de schouders. Een opgeblazen gevoel, vage misselijkheid en een episode van diarree behoren ook nog tot het normale verloop.

Bij volgende problemen vragen we u om opnieuw contact op te nemen met uw huisarts of het ziekenhuis:

  • Pijnklachten die niet verdwijnen na het innemen van pijnstillende medicatie
  • Een temperatuursverhoging van 38,0°C of hoger
  • Een wonde die steeds roder wordt en gezwollen is

Fysieke activiteit

U kan best ‘relatieve rust’ in acht nemen gedurende twee weken; dit betekent dat u geen zware lasten mag tillen (>10kg of een emmer water), geen zware sportactiviteiten mag beoefenen en geen fysiek belastende arbeid mag verrichten. Autorijden raden we de eerste week na een kijkoperatie af; te hernemen op eigen aanvoelen vanaf 2e of 3e week na de ingreep. Lichtere fysieke belasting zoals wandelen en gelijkmatig fietsen op een hometrainer mag u onmiddellijk hervatten. Na twee weken mag u ook de andere fysieke activiteiten geleidelijk weer opbouwen, op eigen aanvoelen. Met voor de buikspieren zeer belastende sportactiviteiten zoals voetbal, fitness en tennis adviseren we 4-6 weken te wachten.

Voeding

Na een ongecompliceerde ingreep voor appendicitis hoeft u géén dieet te volgen.

Wondzorg

De wondjes worden nog verzorgd voor uw ontslag uit het ziekenhuis (droog aseptisch verband); de verbandjes mogen nadien dicht blijven zolang ze droog blijven. U mag hiermee onder de douche, maar liefst niet in bad.

Medicatie bij ontslag

Uw thuismedicatie mag in principe opnieuw herstart worden na ontslag. Ivm eventuele bloedverdunners krijgt u apart advies.

Als pijnstilling stellen we paracetamol (Dafalgan, Paracetamol…) voor: 1g, tot 4x/dag. Dit kan zo nodig aangevuld worden met een ontstekingsremmer (diclofenac, ibuprofen…), op voorwaarde dat u nooit een maagzweer hebt gehad en niet lijdt aan een ernstige hart- of nieraandoening.

Afspraken

Controle bij de huisarts te voorzien een tiental dagen na de ingreep, voor een wondcontrole en verwijderen van de hechtpleisters (de hechtingen werden onder de huid geplaatst en zijn oplosbaar).

Een controle bij uw chirurg wordt doorgaans niet meer voorzien. In dat geval wordt wel een afsluitende controle bij de huisarts een drietal weken na de ingreep aangeraden.

Complicaties

In de overgrote meerderheid van de gevallen is het verwijderen van de appendix een relatief beperkte ingreep die mogelijk is via een kijkoperatie, en met een vlot, comfortabel en ongecompliceerd herstel achteraf.

Geen enkele ingreep is evenwel volledig risicovrij uiteraard. Zo bestaat er ook na deze ingreep een kleine risico op algemene postoperatieve complicaties als infectie, wondcomplicaties, nabloeding, trombose en longontsteking . Zwaarlijvigheid, roken en voorgaande chirurgie verhogen de kans op complicaties. Meer specifiek bestaat er binnen de eerste dagen/weken een kleine kans op het ontwikkelen van een abces in de buikholte, waarvoor een punctie of zelfs heringreep vereist kan zijn.


Het colon of de dikke darm is een orgaan, met als voornaamste functie het onttrekken van water aan de stoelgang. Het heeft een lengte van 150 tot 180 cm en het wordt begrensd door de dunne darm aan de ene zijde en eindigt met de endeldarm thv het anaal kanaal aan de andere zijde. Het S-bochtige geel of signoid is het deel vóór de endeldarm.
Een divertikel is een uitstulping van de wand van de dikke darm. Diverticulose staat voor de aanwezigheid van verscheidene divertikels. Divertikels kunnen over de ganse dikke darm voorkomen, maar komen het vaakst en meest uitgesproken voor thv het sigmoid. Diverticulose komt heel vaak voor; de meeste mensen met diverticulose hebben geen klachten en zullen klachtenvrij blijven de rest van hun leven. Diverticulose op zich is dus géén reden tot wat voor behandeling dan ook.

Acute diverticulitis

Diverticulitis slaat op de ontsteking van één of meerdere divertikels. Diverticulitis kan onderverdeeld worden in een eenvoudige en een gecompliceerde vorm:

  • Eenvoudige diverticulitis: meest voorkomende vorm. Het probleem beperkt zich tot de ontsteking van de darm op zich; deze kan doorgaans goed behandeld worden met medicatie (antibiotica).
  • Gecompliceerde diverticulitis: in dit geval is vaak een of andere vorm van chirurgie noodzakelijk. Het gaat dan om één van de volgende situaties:
    • Abces: gelokaliseerde ophoping van etter, beperkt (A of uitgebreid (B)
    • Fistel: abnormale verbinding tussen 2 structuren (bij voorbeeld dikke darm en blaas)
    • Obstructie: blokkering van de dikke darm
    • Perforatie/peritonitis: ‘gesprongen’ divertikel of abces kan zorgen voor verspreiden van etter (C) of stoelgang (D) over de ganse buikholte, met een veralgemeende buikvliesontsteking tot gevolg.
    • Sepsis (‘bloedvergiftiging’): een uitgesproken buikvliesontsteking kan leiden tot het verspreiden van de infectie via de bloedbaan over het ganse lichaam, waaronder verschillende andere organen (hart, longen, nieren...) ernstig kunnen lijden. Zo kan er in ernstige gevallen nood zijn aan medicatie om het hart te ondersteunen, dialyse om de nieren te ondersteunen en/of beademing om de longen te ondersteunen. Deze veralgemeende staat van infectie noemen we sepsis (in de volksmond ‘bloedvergiftiging’). In ernstige gevallen kan deze situatie levensbedreigend zijn.
Dicerticulitis

De voornaamste klacht bij een diverticulitis is pijn onder in de buik, doorgaans voornamelijk links. Andere mogelijke klachten zijn misselijkheid en braken, obstipatie, diarree, plasklachten en koorts. Bij gecompliceerde vormen kan de pijn zich over de ganse buik verspreiden.

Om te kunnen vaststellen of het wel degelijk om diverticulitis gaat, wordt een bloedname verricht en een radiologische beeldvorming (echografie of CT-scan). Dit laat ook toe het verschil te maken tussen de simpele en de gecompliceerde vorm.

Behandeling

Niet-chirurgische ingreep

Een eenvoudige diverticulitis kan behandeld worden met pijnstillers en antibiotica. Dit kan soms in de thuissituatie gebeuren met antibiotica in pil-vorm, maar vaak zijn antibiotica via een infuus nodig en dus een opname in het ziekenhuis. Dit wordt bepaald door de algemene toestand, de resultaten van een bloedname en de bevindingen op echo of CT-scan.
Bij de gecompliceerde diverticulitis-vormen is een abces het enige wat nog met antibiotica kan behandeld worden, indien het niet al te groot is tenminste. Indien het groter is, dient het een aangeprikt en leeggezogen te worden (‘drainage’). Dat kan soms door een radioloog gebeuren, tijdens een echografie of CT-scan. In andere gevallen kan dat via een kijkoperatie plaatsvinden. Voor andere vormen van gecompliceerde diverticulitis zal een grotere ingreep nodig zijn (zie hieronder).

Chirurgische ingreep: Abcesdrainage, Hartmannprocedure of Sigmoidresectie

Er zijn twee situaties waarin een ingreep nodig kan zijn:

  • acuut of dringend
  • Niet dringend (gepland)

Acute ingreep

Abcesdrainage

Indien we bij vaststelling van de diverticulitis een fors abces vaststellen, waarvan we vermoeden dat dit te groot is om met antibiotica onder controle te krijgen, kan geprobeerd worden om dit in eerste instantie te draineren via een kijkoperatie. Dit betekent concreet dat we met een kijkoperatie het abces proberen op te sporen, vrij te leggen en er een buisje bijleggen. Dit is uiteraard géén standaardsituatie en het kan altijd dat we tijdens zo’n procedure merken dat het niet haalbaar is de situatie zo op te lossen en over moeten gaan naar de volgende stap.

Hartmannprocedure

Zoals hierboven aangehaald, wordt er bij dringende chirurgie voor diverticulitis haast altijd in ‘vijandige omstandigheden’ gewerkt; dwz in een omgeving bevuild met etter of zelfs stoelgang. In die omstandigheden besluiten we doorgaans om ons te beperken tot het wegnemen van het zieke stuk darm (sigmoid), zonder de darm meteen weer aan elkaar te zetten. Wanneer we darm weer aan elkaar zetten moet er namelijk door het lichaam een waterdicht litteken worden gevormd thv de hechtingen; wanneer dit niet adequaat gebeurt zal er na enkele dagen (meestal tussen dag 5 en dag 10 na de ingreep) lekkage optreden van stoelgang uit de darm. Dit is een klassiek risico bij het aan elkaar zetten van darm, maar waar dit risico in een rustige omgeving 1-2% bedraagt, kan dit sterk oplopen in een bevuilde buik, zoals bij gecompliceerde diverticulitis. Daarom wordt er in deze omstandigheden dus vaak besloten om in eerste instantie de darm –tijdelijk- naar buiten te brengen doorheen de buikwand (‘stoma’), en pas na een rustperiode van enkele maanden de darm weer aan elkaar te zetten (‘herstel transit’). Het wegnemen van het zieke stuk darm met aanleg van een stoma noemt men een Hartmann-procedure. Deze ingreep zal vaak via een klassieke ‘open’ procedure (grote insnede in het midden van de buik) worden uitgevoerd gezien de gecompliceerde omstandigheden een kijkoperatie meestal onmogelijk maken.
NB: wanneer de ontsteking/bevuiling in de buik goed opgeruimd raakt tijdens de ingreep kan er uitzonderlijk toch worden besloten om de darm meteen weer aan elkaar te zetten; dat heet dan een ‘sigmoidresectie’

Acute ingreep

Geplande ingreep: Laparoscopische (of Open) Sigmoidresectie

Wanneer een diverticulitis-opstoot onder controle raakt met medicatie en/of drainage, maar het risico op een nieuwe opstoot relatief groot wordt geacht, kan men opteren om het betrokken stuk darm in tweede instantie alsnog weg te nemen. Zoals eerder aangehaald gaat het bijna altijd om het sigmoid. Om de kans op complicaties zo klein mogelijk te maken doen we dit het liefst in rustige omstandigheden, dwz na een ‘afkoelingsperiode’ van een zestal weken na de laatste opstoot.

Het verwijderen van het sigmoid gebeurt dan in meer dan 80% van de gevallen via een kijkoperatie (‘laparoscopie’). Dit betekent concreet dat de buik eerst wordt opgeblazen om werkruimte te creëren. Dit gebeurt met koolstofdioxidegas, hetzelfde gas dat we uitademen bij de normale ademhaling. Indien er na de ingreep dus wat gas achterblijft in de buikholte, wordt dat zeer snel via de bloedbaan opgenomen en gewoon weer uitgeademd. Vervolgens maken we 4à5 kleine sneetjes van 5 tot 12mm. Via deze sneetjes plaatsen we werkkanalen doorheen de buikwand, waarlangs we de camera en verschillende instrumenten kunnen invoeren om de ingreep uit te voeren. Aan het einde van de ingreep zal dan nog één iets groter sneetje van 4 tot 5 cm worden gemaakt, waarlangs de darm uit het lichaam verwijderd wordt.

Kijkoperatie

Het sigmoid wordt dan eerst losgemaakt samen met zijn aanvoerend bloedvat en vervolgens thv de overgang naar de endeldarm doorgenomen. Dit gebeurt met een apparaat dat tegelijk de darm doorsnijdt én de beide uiteinden afdicht met nietjes. Het stuk darm wordt dan verwijderd langs de grotere snee links onder in de buik. Tenslotte wordt de darm weer aan elkaar gezet, opnieuw met nietjes dmv een speciaal daarvoor ontwikkeld pistool.

Herstel na de ingreep

In het ziekenhuis

Het herstel onmiddellijk na de ingreep kan sterk verschillen naar gelang het gaat om een ‘acute situatie’ of een ‘geplande ingreep’ in rustige omstandigheden. Hieronder beschrijven we het verwachte herstel na een geplande ingreep:

Na de ingreep wordt u in principe overgebracht naar de gewone verpleegafdeling, maar naargelang de omstandigheden kan geoordeeld worden dat het veiliger is om in eerste instantie even op intensieve zorgen te verblijven (na een ingreep in acute omstandigheden is dit zelfs de standaardprocedure).

Vocht en pijnstilling krijgt u tijdens en onmiddellijk na de ingreep in eerste instantie via een infuus toegediend. Afhankelijk van het uur van aankomst op de afdeling en van uw algemene toestand (misselijkheid) zal men u al dan niet nog dezelfde dag water laten drinken en eventueel zelfs een lichte maaltijd aanbieden. Tijdens de eerste dag(en) is het uiteraard normaal dat u enige vage buikpijn ervaart. Typisch na een kijkoperatie kan daar uitstralende pijn thv de schouders bijkomen; dit komt doordat bij het opblazen van de buik een middenrifzenuw kan geprikkeld worden, die zelf via de schouder loopt. U krijgt hiervoor systematisch pijnstilling toegediend, waarmee u normaalgezien comfortabel bent maar indien dit niet toereikend is, kan u dit uiteraard aangeven aan uw verpleegkundige. De nood aan pijnstillers neemt haast altijd zeer sterk af binnen de 3 à 4 dagen na de ingreep. Indien we voor de operatie de kans groot achten dat via een klassieke ‘open’ snede zal moeten gewerkt worden, zal er enkele dagen langer nood zijn aan –zwaardere- pijnstilling. Daarom zal men in dat geval doorgaans voorafgaand aan de ingreep een pijnpomp plaatsen, die in principe een drietal dagen ter plaatse blijft.

Verder kan u zich nog wat misselijk voelen. Deze misselijkheid verdwijnt meestal de dag zelf nog, zo niet binnen de 1 à 2 dagen. Ook dit kan enkele dagen langer duren bij een open procedure. Daarom wordt er bij een open procedure vaak een maagsonde achtergelaten, zodat de maag kan leeghevelen zonder dat u moet overgeven.

De meerderheid van de patiënten kan de afdeling binnen 4 à 5 dagen verlaten na een kijkoperatie en binnen een 7-tal dagen na een open procedure.

Na ontslag uit het ziekenhuis

Algemeen

In de loop van de eerste dagen kan u nog wat hinder ondervinden thv de wondjes én thv de schouders. Bij een open procedure kan die hinder thv de wonde uiteraard wat meer uitgesproken zijn en enkele weken aanhouden. Een opgeblazen gevoel, vage misselijkheid en een episode van diarree behoren ook nog tot het normale verloop.

Het stoelgangspatroon kan gedurende de eerste weken nog wat onregelmatig zijn (harde afgewisseld met zachte stoelgang tot diarree). Bij te harde stoelgang kan u best een laxeermiddel nemen (vrij te verkrijgen bij de apotheek).

Bij volgende problemen vragen we u om opnieuw contact op te nemen met uw huisarts of het ziekenhuis:

  • Pijnklachten die niet verdwijnen na het innemen van pijnstillende medicatie
  • Een temperatuursverhoging van 37.8°C of hoger
  • Een wonde die steeds roder wordt en gezwollen is

Fysieke activiteit

U kan best ‘relatieve rust’ in acht nemen gedurende drie weken (vier weken bij ‘open’ procedure); dit betekent dat u geen zware lasten mag tillen (>10kg of een emmer water), geen zware sportactiviteiten mag beoefenen en geen fysiek belastende arbeid mag verrichten. ). Autorijden raden we af na een kijkoperatie gedurende een twee weken, na een open procedure gedurende vier weken; nadien te hernemen op eigen aanvoelen. Lichtere fysieke belasting zoals wandelen en gelijkmatig fietsen op een hometrainer mag u onmiddellijk hervatten. Na drie a vier weken mag u ook de andere fysieke activiteiten geleidelijk weer opbouwen, op eigen aanvoelen. Met voor de buikspieren zeer belastende sportactiviteiten zoals voetbal, fitness en tennis adviseren we 4-6 weken te wachten (6-8 weken na een open procedure)

Voeding

We raden aan om de eerste twee weken na de ingreep relatief restenarm te eten. U krijgt hiervoor dieetadvies mee. Bedoeling is dat u na 2 weken zelf geleidelijk het dieet uitbreidt. Indien u op een bepaald moment krampen ervaart, is dat teken om het dieet wat langer aan te houden.

Wondzorg

De wondjes worden nog verzorgd voor uw ontslag uit het ziekenhuis (droog aseptisch verband); de verbandjes mogen nadien dicht blijven zolang ze droog blijven. U mag hiermee onder de douche, maar liefst niet in bad.

Medicatie bij ontslag

Uw thuismedicatie mag in principe opnieuw herstart worden na ontslag. Ivm eventuele bloedverdunners krijgt u apart advies.
Als pijnstilling stellen we paracetamol 1g, tot 4/dag voor (Dafalgan, Paracetamol…). Dit kan zo nodig aangevuld worden met een ontstekingsremmer (diclofenac, ibuprofen…), op voorwaarde dat u nooit een maagzweer hebt gehad en niet lijdt aan een ernstige hart- of nieraandoening.

Afspraken

Controle bij de huisarts te voorzien een tiental dagen na de ingreep, voor een wondcontrole en verwijderen van de hechtpleisters (de hechtingen werden onder de huid geplaatst en zijn oplosbaar).
Een controle bij uw chirurg wordt voorzien een viertal weken na de ingreep.

Complicaties

Het verwijderen van het sigmoid is op zich een relatief belastende ingreep, die doorgaans evenwel mogelijk is via een kijkoperatie, en in de meerderheid van de gevallen gepaard gaat met een vlot, comfortabel en ongecompliceerd herstel achteraf.
Geen enkele ingreep is evenwel volledig risicovrij uiteraard. Zo bestaat er ook na deze ingreep een risico op algemene postoperatieve complicaties als infectie, wondcomplicaties, nabloeding, trombose, longontsteking.


Het colon of de dikke darm is een orgaan, met als voornaamste functie het onttrekken van water aan de stoelgang.
Het heeft een lengte van 150 tot 180 cm en het wordt begrensd door de dunne darm aan de ene zijde en eindigt met de endeldarm thv het anaal kanaal aan de andere zijde.

Een tumor van de dikke darm ontstaat doorgaans als een goedaardige poliep. Dit komt erop neer dat (slijmvlies-)cellen die de wand van de dikke darm afboorden, zich op een bepaald moment abnormaal gaan vermenigvuldigen en ‘ophopen’, tot wat je schematisch als een boompje (‘gesteelde poliep’) of een kussentje (‘vlakke poliep’) kan omschrijven.

Poliep

Zulke poliepen kunnen we al in een zeer vroegtijdig stadium vaststellen met een darmonderzoek (coloscopie). Hierbij wordt een slang met camera aan het uiteinde langs de anus opgevoerd.

Wanneer een poliep nog relatief klein is wanneer ze ontdekt wordt, kan deze eenvoudigweg nog tijdens het darmonderzoek (coloscopie) worden verwijderd. Wanneer deze wat groter wordt, kan een chirurgische ingreep noodzakelijk zijn (verwijderen van het stukje dikke darm waarin de poliep zich bevindt). Een poliep kan ontaarden tot een – kwaadaardige - kanker.

Hoe groter een poliep wordt, des te groter het risico dat deze ontaardt tot een kanker. Dit duurt gemiddeld 7 à 10 jaar. Ontaarden betekent concreet dat de cellen van de poliep zich verder hebben omgevormd tot cellen die in staat zijn om enerzijds in de darmwand in te groeien (van binnen naar buiten) en anderzijds zich via de bloedvaten en lymfebanen te verspreiden over de rest van het lichaam om zich ook elders in te nestelen (uitzaaiingen). Om dit te begrijpen, kan je de darm voorstellen als een buis met een wand van meerdere lagen, waaraan een gordijn van vetweefsel hangt. In dat vetweefsel bevinden zich aanvoerende bloedvaten (arteries), afvoerende bloedvaten (venen) en lymfebanen.

Lymfeklier

Lymfebanen zijn een soort van rioleringssysteem waarlangs allerlei stoffen vanuit de darmwand worden afgevoerd. Op het verloop van de lymfebanen liggen de beruchte lymfeklieren. Bij dikke darmkanker kunnen zich hier evenwel ook kwaadaardige cellen ophopen en aangroeien tot (lokale) uitzaaiingen. Wanneer deze cellen zich nog verder gaan verspreiden via bloedvaten en lymfebanen (bvb naar lever, longen) spreken we van uitzaaiingen op afstand.

Zoals hierboven beschreven, ontstaan de meeste darmtumoren als een goedaardige poliep. Een dikke darmtumor kan beter behandeld worden wanneer deze in een vroegtijdig stadium ontdekt wordt, maar jammer genoeg zijn er vaak geen klachten aanwezig in een vroeg stadium. Sommige symptomen zoals de aanwezigheid van bloed of slijm in de stoelgang, veranderd stoelgangspatroon (afwisseling van constipatie en diarree, plattere stoelgang), bloedarmoede, recente onverklaarbare buikpijn, en onverklaarbare vermagering kunnen de aandacht trekken.

Hoe wordt darmanker vastgesteld?

Sinds oktober 2013 bestaat er een bevolkingsonderzoek in Vlaanderen, waarbij bepaalde leeftijdsgroepen worden aangeschreven om een stoelgangsstaal te laten onderzoeken. Men zoekt dan concreet naar de aanwezigheid van microscopische restjes bloed (FOB= faecaal occult bloedtest), die op hun beurt kunnen wijzen op de aanwezigheid van een poliep/tumor. Er zijn aanwijzingen dat deze zogenaamde screening door de FOB-test bij een aantal mensen zonder klachten tussen de 50 en 75 jaar, dikke darmkanker in een vroeger stadium kan opsporen. Belangrijk om weten is dat een positieve FOB-test niet per definitie betekent dat er ook een tumor in het spel is; in 9/10 gevallen is dat zelfs niet het geval! Omgekeerd biedt een negatieve FOB-test (geen bloed in staal vastgesteld) ook géén 100% zekerheid dat er géén tumor aanwezig is. Als de tumor net op het moment van de staalname niet bloedt, kan dit nl leiden tot een ‘vals negatief’ staal. Belangrijk blijft dus om de FOB-test geregeld te herhalen (om de 1à2 jaar) én om in bepaalde gevallen sowieso een coloscopie (dikke darmonderzoek) uit te laten voeren. Dit geldt ondermeer bij het optreden van uitgesproken klachten of een verhoogd risico (bijvoorbeeld broer, zus of ouders met darmkanker in het verleden).

Bij een verdacht stoelgangsstaal (positieve FOB-test), duidelijke klachten of een verhoogd risico wordt dus best een coloscopie (dikke darmonderzoek) uitgevoerd. Daarmee kan men poliepen en tumoren met zeer grote waarschijnlijkheid opsporen (of uitsluiten). Bovendien kunnen kleine poliepen ook meteen verwijderd worden en biopsies of stalen voor verder onderzoek genomen worden.

Polypectomy

Wanneer er grotere poliepen vastgesteld worden (die niet via coloscopie kunnen weggenomen worden) of tumoren die verdacht zijn voor kwaadaardigheid zal ook een CT-scan uitgevoerd worden om te onderzoeken of er uitzaaiingen in de lever of longen aanwezig zijn.

Risico op darmkanker

Dikke darmkanker is in Vlaanderen de tweede meest voorkomende kanker; bij mannen na prostaatkanker en bij vrouwen na borstkanker. Jaarlijks wordt bij 2500 tot 3000 Vlamingen de diagnose gesteld van darmkanker.

De oorzaak van dikke darmkanker is meestal onduidelijk. Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de mensen met een normaal risico op de ziekte en de mensen met een verhoogd risico. De eerste groep bestaat uit 70 tot 80% van de patiënten. Bij ongeveer 20 tot 30% van de patiënten met dikke darmkanker is er een aantoonbare erfelijke of familiale belasting. Mensen met bepaalde darmziekten (‘inflammatoir darmlijden’), zoals de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa, hebben eveneens een verhoogd risico.

Het risico op de ontwikkeling van dikke darmkanker stijgt overigens ook aanzienlijk vanaf de leeftijd van 50 jaar.

Behandeling

Chirurgische ingreep: verwijderen van het aangetaste deel van de dikke darm (‘laparoscopische of open colonresectie’)

Tumoren van de dikke darm zijn in vele gevallen te genezen, ook als ze al tot kanker zijn geëvolueerd. Het stadium van de tumor is daarbij bepalend voor de aard van de behandeling en voor de kans op genezing. Het stadium wordt in eerste instantie bepaald door goed- of kwaadaardigheid. Bij een goedaardige poliep is de grootte en breedte van inplanting van belang. Bij een kwaadaardige tumor is de mate van ingroei in de darmwand en eventueel in het omgevende vetweefsel belangrijk naast aanwezigheid van lokale uitzaaiingen in de klieren in het omgevende vetweefsel en uiteindelijk uitzaaiingen op afstand (lever, longen). Hoe dit vooraf wordt nagekeken, wordt hierboven beschreven.

De belangrijkste stap naar genezing is uiteraard het verwijderen van tumor. Aanvullend zal meestal nog nabehandeling (chemotherapie) worden aangeraden, om de kansen op definitieve genezing nog te verhogen. Of er aanvullend chemotherapie geadviseerd wordt zal afhangen van het stadium van de tumor, zoals bepaald na het microscopisch onderzoek van het weggenomen deel.

Het verwijderen van het gezwel gebeurt meestal (ongeveer 80%) via een kijkoperatie (laparoscopie). Indien het gezwel te groot is, of indien een kijkoperatie niet opportuun lijkt om een andere reden, kan het verwijderd worden via een klassieke snede (‘open procedure’).

In geval van een kijkoperatie betekent dit concreet dat de buik eerst wordt opgeblazen om werkruimte te creëren. Dit gebeurt met koolstofdioxidegas, hetzelfde gas dat we uitademen bij de normale ademhaling.

Indien er na de ingreep dus wat gas achterblijft in de buikholte, wordt dat zeer snel via de bloedbaan opgenomen en gewoon weer uitgeademd. Vervolgens maken we 4à5 kleine sneetjes van 5 tot 12mm. Via deze sneetjes plaatsen we werkkanalen doorheen de buikwand, waarlangs we de camera en verschillende instrumenten kunnen invoeren om de ingreep uit te voeren.
Aan het einde van de ingreep wordt nog één iets groter sneetje gemaakt van een 4 tot 5 cm, waarlangs de darm uit het lichaam verwijderd wordt.

Kijkoperatie

Aangezien kankercellen kunnen ontsnappen via de lymfebanen en zich in de lymfeklieren kunnen ophopen tot lokale uitzaaiingen, is het zeer belangrijk om tijdens de ingreep niet alleen de darmkanker zelf, maar ook zoveel mogelijk aanliggende lymfeklieren mee weg te nemen.

Tijdens de ingreep wordt de dikke darm dus eerst losgemaakt samen met het bijhorende ‘gordijn’ van vetweefsel (met daarin de klieren) en vervolgens doorgenomen met een speciaal apparaat dat gelijktijdig de darm doorsnijdt én de darm aan weerszijden afdicht met nietjes. Het bewuste stuk darm en vetweefsel wordt dan verwijderd langs de grotere snede. Tenslotte wordt de darm weer aan elkaar gezet, met naald en draad of opnieuw met nietjes dmv een speciaal daarvoor ontwikkeld pistool. De darm zelf zal hier in de komende dagen een waterdicht litteken moeten vormen.

Anastomose gestapled

De ingreep kan bemoeilijkt worden door verklevingen van voorgaande ingrepen of door een ernstige (doorgemaakte) ontsteking, waardoor de afzonderlijke structuren minder duidelijk zichtbaar kunnen zijn. In dat geval is het risico op bepaalde complicaties iets groter. In bepaalde gevallen kan dit betekenen dat het veiliger is om de kijkoperatie te beëindigen en over te gaan naar een open procedure, via een klassieke snede. Zoals hierboven vermeld, wordt in sommige gevallen overigens al op voorhand besloten om de ingreep via een klassieke snede uit te voeren.

Herstel na de ingreep

In het ziekenhuis

Na de ingreep wordt u in principe overgebracht naar de gewone verpleegafdeling, maar naargelang de omstandigheden kan geoordeeld worden dat het veiliger is om in eerste instantie even op intensieve zorgen te verblijven. Goed om weten voor uw familieleden is dat de ingreep 2à3 uur duurt, er vooraf wat voorbereidingstijd nodig is en u nadien nog 1à2 uur op de uitslaapkamer verblijft. Het is dus normaal dat er algauw 6u voorbijgaan tussen vertrek en terugkomst op de kamer.

Vocht en pijnstilling krijgt u tijdens en onmiddellijk na de ingreep in eerste instantie via een infuus toegediend. Afhankelijk van het uur van aankomst op de afdeling en van uw algemene toestand (misselijkheid) zal men u al dan niet nog dezelfde dag water laten drinken en eventueel zelfs een lichte maaltijd aanbieden. Tijdens de eerste dag(en) is het uiteraard normaal dat u enige vage buikpijn ervaart. Typisch na een kijkoperatie kan daar uitstralende pijn thv de schouders bijkomen; dit komt doordat bij het opblazen van de buik een middenrifzenuw kan geprikkeld worden, die hogerop deels samenloopt met een schouderzenuw. U krijgt systematisch pijnstilling toegediend, waarmee u normaalgezien comfortabel bent maar indien dit niet toereikend is, kan u dit uiteraard aangeven aan uw verpleegkundige. De nood aan pijnstillers neemt haast altijd sterk af binnen de 3 à 4 dagen na de ingreep. Indien we voor de operatie de kans groot achten dat via een klassieke ‘open’ snede zal moeten gewerkt worden, zal er enkele dagen langer nood zijn aan –zwaardere- pijnstilling. Daarom zal men in dat geval doorgaans voorafgaand aan de ingreep een pijnpomp installeren, die via een katheder in de rug werkt en in principe een drietal dagen ter plaatse blijft.

Verder kan u zich nog wat misselijk voelen. Deze misselijkheid verdwijnt meestal de dag zelf nog, zo niet binnen de 1 à 2 dagen. Ook dit kan enkele dagen langer duren bij een open procedure. Daarom wordt er bij een open procedure vaak een maagsonde achtergelaten, zodat de maag kan leeghevelen zonder dat u moet overgeven.

De meerderheid van de patiënten kan de afdeling binnen 4 à 5 dagen verlaten na een kijkoperatie en binnen een 7-tal dagen na een open procedure.

Na ontslag in het ziekenhuis

Algemeen

In de loop van de eerste dagen kan u nog wat hinder ondervinden thv de wondjes én thv de schouders. Bij een open procedure kan die hinder thv de wonde uiteraard wat meer uitgesproken zijn en enkele weken aanhouden. Een opgeblazen gevoel, vage misselijkheid en een episode van diarree behoren ook nog tot het normale verloop.

Het stoelgangspatroon kan gedurende de eerste weken nog wat onregelmatig zijn (harde afgewisseld met zachte stoelgang tot diarree). Bij te harde stoelgang kan u best een laxeermiddel nemen (vrij te verkrijgen bij de apotheek).

Bij volgende problemen vragen we u om opnieuw contact op te nemen met uw huisarts of het ziekenhuis:

  • Pijnklachten die niet verdwijnen na het innemen van pijnstillende medicatie
  • Een temperatuursverhoging van 37.8°C of hoger
  • Een wonde die steeds roder wordt en gezwollen is

Fysieke activiteit

U kan best ‘relatieve rust’ in acht nemen gedurende drie weken (vier weken bij ‘open’ procedure); dit betekent dat u geen zware lasten mag tillen (>10kg of een emmer water), geen zware sportactiviteiten mag beoefenen en geen fysiek belastende arbeid mag verrichten). Autorijden raden we af na een kijkoperatie gedurende een tweetal weken, na een open procedure gedurende vier weken; nadien te hernemen op eigen aanvoelen. Lichtere fysieke belasting zoals wandelen en gelijkmatig fietsen op een hometrainer mag u onmiddellijk hervatten. Na drie a vier weken mag u ook de andere fysieke activiteiten geleidelijk weer opbouwen, op eigen aanvoelen. Met voor de buikspieren zeer belastende sportactiviteiten zoals voetbal, fitness en tennis adviseren we 4-6 weken te wachten (6-8 weken na een open procedure)

Voeding

We raden aan om de eerste twee weken na de ingreep relatief restenarm te eten. U krijgt hiervoor dieetadvies mee. Bedoeling is dat u na 2 weken zelf geleidelijk het dieet uitbreidt. Indien u op een bepaald moment krampen ervaart, is dat teken om het dieet wat langer aan te houden.

Wondzorg

De wondjes worden nog verzorgd voor uw ontslag uit het ziekenhuis (droog aseptisch verband); de verbandjes mogen nadien dicht blijven zolang ze droog blijven. U mag hiermee onder de douche, maar liefst niet in bad.

Medicatie bij ontslag

Uw thuismedicatie mag in principe opnieuw herstart worden na ontslag. Ivm eventuele bloedverdunners krijgt u apart advies.

Als pijnstilling stellen we paracetamol 1g, tot 4/dag voor (Dafalgan, Paracetamol…). Dit kan zo nodig aangevuld worden met een ontstekingsremmer (diclofenac, ibuprofen…), op voorwaarde dat u nooit een maagzweer hebt gehad en niet lijdt aan een ernstige hart- of nieraandoening.

In principe raden we ook aan om gedurende 20 dagen spuitjes (Clexane, Fraxiparine) te laten plaatsen door een thuisverpleegkundige, om bloedklontertjes te voorkomen.

Afspraken

Controle bij de huisarts te voorzien een tiental dagen na de ingreep, voor een wondcontrole en verwijderen van de hechtpleisters (de hechtingen werden onder de huid geplaatst en zijn oplosbaar).

Een controle bij uw chirurg wordt voorzien een viertal weken na de ingreep.

Complicaties

Het verwijderen van een deel van de dikke darm is op zich een relatief belastende ingreep, maar anderzijds ook een routine-ingreep voor ons team, die vaak (80%) mogelijk is via een kijkoperatie, en in de meerderheid van de gevallen gepaard gaat met een vlot, comfortabel en ongecompliceerd herstel achteraf.

Geen enkele ingreep is evenwel volledig risicovrij uiteraard. Zo bestaat er ook na deze ingreep een risico op algemene postoperatieve complicaties als infectie, wondcomplicaties, nabloeding, trombose, longontsteking.


Het rectum van de endeldarm is het laatste deel van de dikke darm (‘colon’). De termen dikke darm en endeldarm worden vaak door elkaar gebruikt, wat voor verwarring kan zorgen. Er zijn evenwel zeer belangrijke verschillen tussen tumoren van de endeldarm en tumoren van andere delen van de dikke darm, zowel wat betreft de aard van de behandeling als wat betreft de effecten na de behandeling.
De endeldarm is ongeveer 12 cm lang en gaat over in de anus (anaal kanaal met sluitspier).

Endeldarm Zoom

Een tumor van de endeldarm ontstaat doorgaans als een goedaardige poliep. Dit komt erop neer dat (slijmvlies-)cellen die de darmwand afboorden, zich op een bepaald moment abnormaal gaan vermenigvuldigen en ‘aangroeien’, tot wat je schematisch als een boompje (‘gesteelde poliep’) of een kussentje (‘vlakke poliep’) kan omschrijven.

Poliep rectum vlak en gesteeld Genaamd

Zulke poliepen kunnen we al in een zeer vroegtijdig stadium vaststellen met een darmonderzoek (coloscopie). Hierbij wordt een slang met camera aan het uiteinde langs de anus opgevoerd. Wanneer een poliep nog relatief klein is wanneer ze ontdekt wordt, kan deze eenvoudigweg nog tijdens het darmonderzoek worden verwijderd. Wanneer deze wat groter wordt, kan een chirurgische ingreep noodzakelijk zijn, via een kijkoperatie in de endeldarm zelf.

Hoe groter een poliep wordt, des te groter het risico dat deze ontaardt tot een kanker. Dit duurt gemiddeld 7 à 10 jaar. Ontaarden betekent concreet dat de cellen van de poliep zich verder hebben omgevormd tot cellen die in staat zijn om enerzijds in de darmwand in te groeien (van binnen naar buiten) en anderzijds zich via de bloedvaten en lymfebanen te verspreiden over de rest van het lichaam om zich ook elders in te nestelen (uitzaaiingen).
Lymfebanen zijn een soort van rioleringssysteem waarlangs allerlei stoffen vanuit de darmwand worden afgevoerd. Op het verloop van de lymfebanen liggen de beruchte lymfeklieren. Lymfebanen en klieren hebben we overigens over ons ganse lichaam; in de hals bvb kunnen deze pijnlijk opzwellen bij een banale verkoudheid door een ophoping van ontstekingscellen. Bij darmkanker kunnen zich hier evenwel ook kwaadaardige cellen ophopen en aangroeien tot (lokale) uitzaaiingen. Wanneer deze cellen zich nog verder gaan verspreiden via bloedvaten en lymfebanen (bvb naar lever, longen) spreken we van uitzaaiingen op afstand.

Zoals hierboven beschreven, ontstaan de meeste darmtumoren als een goedaardige poliep. Een endeldarmtumor kan beter behandeld worden wanneer deze in een vroegtijdig stadium ontdekt wordt, maar helaas zijn er vaak geen klachten aanwezig in een vroeg stadium.
Sommige symptomen zoals de aanwezigheid van bloed of slijm bij de stoelgang, veranderd stoelgangspatroon (afwisseling van constipatie en diarree, plattere en/of zwarte stoelgang), bloedarmoede, recente onverklaarbare buikpijn of onverklaarbare vermagering kunnen de aandacht trekken.

Hoe wordt darmkanker vastgesteld?

Sinds oktober 2013 bestaat er een bevolkingsonderzoek in Vlaanderen, waarbij bepaalde leeftijdsgroepen worden aangeschreven om een stoelgangsstaal te laten onderzoeken. Men zoekt dan concreet naar de aanwezigheid van microscopische restjes bloed (FOB= faecaal occult bloedtest), die op hun beurt kunnen wijzen op de aanwezigheid van een poliep/tumor. Er zijn aanwijzingen dat deze zogenaamde screening door de FOB-test bij een aantal mensen zonder klachten tussen de 50 en 75 jaar, dikke darmkanker in een vroeger stadium kan opsporen. Belangrijk om weten is dat een positieve FOB-test niet per definitie betekent dat er ook een tumor in het spel is; in 9/10 gevallen is dat zelfs niet het geval en is het bloedverlies dus aan een andere oorzaak te wijten! Omgekeerd biedt een negatieve FOB-test (geen bloed in staal vastgesteld) ook géén 100% zekerheid dat er géén tumor aanwezig is. Als de tumor net op het moment van de staalname niet bloedt, kan dit nl leiden tot een ‘vals negatief’ staal. Belangrijk blijft dus om de FOB-test geregeld te herhalen (om de 1à2 jaar) én om in bepaalde gevallen sowieso een coloscopie (dikke darm onderzoek) uit te laten voeren. Dit geldt ondermeer bij het optreden van uitgesproken klachten of een verhoogd risico (bijvoorbeeld broer, zus of ouders met darmkanker in het verleden).

Bij een verdacht staal (postieve FOB-test), duidelijke klachten of een verhoogd risico, wordt dus best een coloscopie (dikke darmonderzoek) uitgevoerd. Zo kan men poliepen en tumoren met zeer grote waarschijnlijkheid opsporen (of uitsluiten). Bovendien kunnen kleine poliepen ook meteen verwijderd worden en biopsies of stalen voor verder onderzoek genomen worden.

Polypectomy

Wanneer er grotere poliepen vastgesteld worden (die niet via coloscopie kunnen weggenomen worden) of tumoren die verdacht zijn voor kwaadaardigheid, wordt vaak een ‘endo-echografie’ en/of een MR-scan van de endeldarm uitgevoerd.

Met deze onderzoeken zal men enerzijds nagaan in welke mate een tumor ingroeit in de verschillende lagen van de darmwand en het omgevende vetweefsel en anderzijds speuren naar ‘verdachte’ lymfeklieren (met lokale uitzaaiingen) in het omgevende vetweefsel. Op die manier proberen we goedaardige, beginnend kwaadaardige en gevorderd kwaadaardige tumoren vooraf reeds van elkaar te onderscheiden, omdat de behandeling sterk kan verschillen. Er zal dan ook vaak een CT-scan worden uitgevoerd om te onderzoeken of er uitzaaiingen in de lever of longen aanwezig zijn.

Risico op darmkanker

Dikke darmkanker (dikke darm inclusief endeldarm) is in Vlaanderen de tweede meest voorkomende kanker; bij mannen na prostaatkanker en bij vrouwen na borstkanker. Jaarlijks wordt bij 2500 tot 3000 Vlamingen de diagnose gesteld van darmkanker.

De oorzaak van darmkanker is meestal onduidelijk. Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de mensen met een normaal risico op de ziekte en de mensen met een verhoogd risico. De eerste groep bestaat uit 70 tot 80% van de patiënten. Bij ongeveer 20 tot 30% van de patiënten met dikke darmkanker is er een aantoonbare erfelijke of familiale belasting. Mensen met bepaalde darmziekten (‘inflammatoir darmlijden’), zoals de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa, hebben eveneens een verhoogd risico.

Het risico op de ontwikkeling van dikke darmkanker stijgt overigens ook aanzienlijk vanaf de leeftijd van 50 jaar.

Behandeling

Tumoren van de endeldarm zijn in vele gevallen te genezen, ook als ze al tot kanker zijn geëvolueerd. Het stadium van de tumor is daarbij bepalend voor de aard van de behandeling en voor de kans op genezing. Het stadium wordt in eerste instantie bepaald door goed- of kwaadaardigheid. Bij een goedaardige poliep is de grootte en breedte van inplanting van belang. Bij een kwaadaardige tumor is de mate van ingroei in de darmwand en eventueel in het omgevende vetweefsel belangrijk naast aanwezigheid van lokale uitzaaiingen in de klieren in het omgevende vetweefsel en uiteindelijk uitzaaiingen op afstand (lever, longen).

De belangrijkste stap naar genezing is uiteraard het verwijderen van tumor. Indien het om een goedaardig letsel (poliep) gaat, volstaat het doorgaans om enkel de poliep op zich te verwijderen. Dit lukt meestal nog tijdens een coloscopie. Zo niet kan dit doorgaans dmv een kijkoperatie ìn de endeldarm. Indien het om een kwaadaardig letsel gaat, dient doorgaans de volledige endeldarm (en omgevende vetweefsel) verwijderd te worden.

Bij omvangrijke kwaadaardige tumoren en/of de aanwezigheid van uitzaaiingen in de lymfeklieren weten we dat de kans op definitieve genezing groter is wanneer we een voorbehandeling toepassen. Daarmee hopen we onder meer de omvang van het letsel te doen afnemen en zo de kans dat het volledig kan worden weggenomen te vergroten. De voorbehandeling kan bestaan uit bestraling alleen (gedurende 1 week) of een combinatie van bestraling en chemotherapie (gedurende 5 weken). Nadien wordt er afhankelijk van de situatie kort (enkele dagen) of lang (6,8 of 12 weken) gewacht om de ingreep zelf uit te voeren.

Indien de tumor de darm volledig dreigt op te stoppen, kan het nodig zijn om de stoelgang af te leiden dmv een stoma, vooraleer de voorbehandeling van start gaat.

Aanvullend op de ingreep zal vaak nog een nabehandeling (chemotherapie) worden aangeraden, om de kansen op definitieve genezing nog te verhogen. Of er aanvullend chemotherapie geadviseerd wordt zal afhangen van het stadium van de tumor, zoals bepaald bij het microscopisch onderzoek van het weggenomen deel. Belangrijk om hierbij te onthouden is dat chemotherapie in dit stadium in principe nog steeds wordt aangeraden met het oog op definitieve genezing!

Indien er uitzaaiingen op afstand (lever, long) worden vastgesteld, kan het zijn dat men eerst deze zal behandelen vooraleer de endeldarmtumor zelf aan te pakken.

Verwijderen van een poliep via een kijkoperatie ìn de endeldarm

Kleine poliepen met een smalle basis kunnen probleemloos via coloscopie worden weggenomen. Door technische beperkingen is het evenwel lastig om grotere poliepen correct weg te nemen via deze weg.
Zulke poliepen kunnen doorgaans wel nog lokaal worden weggenomen via een kijkoperatie ìn de endeldarm. Daarbij wordt een buisje in de anus geschoven waarin 3 à 4 werkkanalen geplaatst kunnen worden. Op die manier kunnen we met grotere precisie werken waardoor we ook grotere poliepen radicaal kunnen wegnemen. Bovendien kunnen we via deze weg het defect in de darmwand na het wegnemen van de poliep ook weer sluiten.

Dat betekent dat we de poliep incl de volledige achterliggende darmwand (verschillende lagen) integraal kunnen wegnemen waardoor het bij microscopisch onderzoek nadien mogelijk wordt om exact te bepalen hoe diep de poliep al dan niet ingegroeid is. Het sluiten van zo’n defect van de volledige darmwand is met name belangrijk wanneer het defect na het wegnemen van het letsel een rechtstreekse verbinding (‘gat’) naar de buikholte vormt (dat is enkel zo boven de ‘omslagplooi’; onder de ‘omslagplooi’ vormt het vetweefsel een koker rond de endeldarm en wordt het defect dus volledig omgeven door omliggend vetweefsel).

Deze techniek is beperkt tot de laatste 15 cm van de darm ongeveer. Op deze hoogte ligt er nl een scherpe bocht in de darm, waar we doorgaans niet voorbij kunnen werken. In sommige gevallen zal er aanvullend ook even via een aparte kijkoperatie de buikholte worden gekeken, om te controleren of de hechting van de darmwand waterdicht is.

Deze techniek is in principe bedoeld voor goedaardige poliepen. Er worden géén omgevende klieren meegenomen en daarom is deze techniek niet geschikt voor kwaadaardige letsels. Vandaar dat we vooraf zo goed mogelijk proberen in te schatten of een poliep effectief goedaardig is. Dat doen we in eerste instantie op basis van het uitzicht van het oppervlak van de poliep, mede onder speciale belichting vanuit de coloscoop. Daarenboven zal doorgaans nog een endo-echografie en/of een MR onderzoek van de endeldarm worden uitgevoerd.

Zoals eerder aangehaald zal na het wegnemen van de poliep, deze in elk geval grondig worden geanalyseerd onder de microscoop. Daarbij wordt enerzijds bekeken of de poliep effectief volledig is weggenomen en anderzijds nagegaan of ze inderdaad volledig goedaardig is. Indien het microscopisch onderzoek zou aantonen dat de poliep onvolledig is weggenomen, kan een bijkomende lokale ingreep nodig zijn (breder wegnemen). Indien de poliep toch kwaadaardig zou zijn, kan het nodig zijn om in tweede instantie alsnog de volledige endeldarm (incl het omgevende vetweefsel met de klieren) te verwijderen.

Herstel na de ingreep

In het ziekenhuis

Na de ingreep wordt u in principe overgebracht naar de gewone verpleegafdeling. Aangezien de ingreep zelf enkele uren duurt, u ruim op voorhand wordt opgeroepen naar het operatiekwartier en u na de ingreep nog een uurtje op de uitslaapruimte verblijft, bent u algauw 4-5 uur van de kamer (goed om weten voor ongeruste familieleden).
Vocht en pijnstilling krijgt u tijdens en onmiddellijk na de ingreep in eerste instantie via een infuus toegediend. Afhankelijk van het uur van aankomst op de afdeling en van uw algemene toestand (misselijkheid) zal men u al dan niet nog dezelfde dag water laten drinken en eventueel zelfs een lichte maaltijd aanbieden. Tijdens de eerste dag(en) is het uiteraard normaal dat u enige vage hinder thv de anus ervaart. U krijgt systematisch pijnstilling toegediend, waarmee u normaalgezien comfortabel bent maar indien dit niet toereikend is, kan u dit uiteraard aangeven aan uw verpleegkundige. De nood aan pijnstillers neemt haast altijd sterk af binnen de 1 à 2 dagen na de ingreep.
Verder kan u zich nog wat misselijk voelen. Deze misselijkheid verdwijnt meestal de dag zelf nog, maar kan een enkele keer wat langer aanhouden; in dat geval verdwijnt deze bijna altijd binnen de 1 à 2 dagen.
De meerderheid van de patiënten kan de afdeling 1 tot 3 dagen na de ingreep verlaten.

Na ontslag uit het ziekenhuis

Algemeen

Na een darmvoorbereiding kan het enkele dagen duren vooraleer er opnieuw stoelgangsdrang komt. Indien er na 5 dagen nog géén stoelgang gekomen is, adviseren we om een laxeermiddel op te starten. Indien u dit voor de operatie systematisch nam, kan u hiermee best al eerder starten.
De eerste dagen en weken kan het stoelgangspatroon wat onregelmatig zijn (harde afgewisseld met zachte stoelgang tot diarree).
De eerste dagen en weken kan het zijn dat u wat moeilijker stoelgang kan ophouden en zelfs een enkele keer te laat komt op het toilet en stoelgang verliest. Dit komt doordat tijdens de ingreep de anus is opgerokken door het buisje met werkkanalen. Dit recupereert in principe spontaan. Een enkele keer zal na de controle afspraak hulp van een bekkenbodemkinesist worden ingeroepen.
Bij volgende problemen vragen we u om opnieuw contact op te nemen met uw huisarts of het ziekenhuis:

  • Pijnklachten die niet verdwijnen na het innemen van pijnstillende medicatie
  • Een temperatuursverhoging van 37.8°C of hoger

Fysieke activiteit

U kan alle activiteiten geleidelijk hernemen.

Voeding

Er is geen reden om een dieet aan te houden na deze ingreep; normale voeding te hernemen (liefst eerder vezelrijk om stoelgang zacht te houden).

Medicatie bij ontslag

Uw thuismedicatie mag in principe opnieuw herstart worden na ontslag.
Ivm eventuele bloedverdunners krijgt u apart advies.
Als pijnstilling stellen we paracetamol 1g, tot 4/dag voor ((Dafalgan, Paracetamol…). Dit kan zo nodig aangevuld worden met een ontstekingsremmer (diclofenac, ibuprofen…), op voorwaarde dat u nooit een maagzweer hebt gehad en niet lijdt aan een ernstige hart- of nieraandoening.
Vaak wordt er enkele dagen antibiotica voorgesteld om het risico op abcesvorming in de darmwand tegen te gaan.

Afspraken

Een controle bij uw chirurg wordt voorzien een viertal weken na de ingreep. Dan zal ook het defintief resultaat van het microscopisch onderzoek bekend zijn en besproken worden.

Complicaties

Het verwijderen van een poliep in de endeldarm is in het algemeen een relatief weinig belastende ingreep, hoewel ze enkele uren narcose kan inhouden. Geen enkele ingreep is evenwel volledig risicovrij uiteraard. Zo bestaat er ook na deze ingreep een risico op algemene postoperatieve complicaties als infectie, wondcomplicaties, nabloeding, trombose, longontsteking. Zwaarlijvigheid, roken en voorgaande chirurgie verhogen de kans op complicaties.
Het verwijderen van een poliep in de endeldarm betekent dat we werken in een bevuilde omgeving, ook al is de darm gespoeld voor de ingreep en ook al wordt er tijdens de ingreep overvloedig gespoeld met ontsmettingsmiddel. Dit betekent dat er allicht bacteriën terechtkomen in de wonde die ontstaat na het wegnemen van de poliep. Wanneer we deze wonde weer sluiten door de darmwand te hechten kan achter deze hechting een abces ontstaan. Dit kan zich uiten door koorts en evacuatie van vuilig, etterig vocht via de anus. Doorgaans komt dit spontaan tot rust, maar in deze omstandigheden is het uiteraard wel aangewezen uw arts te contacteren.
Waar we het meest voor beducht zijn is lekkage. Dat is een zeer zeldzame complicatie die enkel kan optreden wanneer er een poliep is weggenomen ‘boven de omslagplooi’ zoals hogerop beschreven. Indien er thv de hechting van de darmwand dan géén volledig waterdicht littekenweefsel aanmaakt, kan er stoelgang naar de buikholte ontsnappen. Dan is het doorgaans nodig om opnieuw in te grijpen en om een (tijdelijk!) stoma aan te leggen. Gelukkig is dit dus zeer zeldzaam.

Verwijderen van de endeldarm met aanleg van een tijdelijk of definitief stoma (rectumresectie met tijdelijk ileostoma of rectumamputatie met definitief colostoma)

Voor kwaadaardige letsels van de endeldarm moeten we meer doen dan alleen de tumor zelf wegnemen.
Zoals hierboven vermeld, hangt aan de dikke darm een soort van gordijn van vetweefsel dat naar beneden toe uitwaaiert tot een koker van vetweefsel. Daarin liggen aanvoerende bloedvaten (arteries), afvoerende bloedvaten (venen) en lymfebanen met lymfeklieren. Aangezien kankercellen kunnen ontsnappen via de lymfebanen en in de lymfeklieren kunnen aangroeien tot lokale uitzaaiingen, is het zeer belangrijk om tijdens de ingreep niet alleen de darmkanker zelf, maar ook de omgevende lymfeklieren mee weg te nemen. Dit betekent concreet dat doorgaans de volledige endeldarm én omgevende vetweefsel weggenomen worden (‘rectumresectie’).

Daarnaast is het belangrijk om vooraf de relatie van de tumor tot de sluitspier goed in te schatten. Indien de tumor tot vlak tegen of in de sluitspier groeit, moet deze mee weggenomen worden (‘rectumamputatie’). Dit betekent dat de dikke darm achteraf niet meer op de anus kan aangekoppeld worden en dus vooraan op de buik zal worden ingehecht als een –definitief- stoma.

Deze ingreep heeft overigens het voordeel dat de ingreep zelf korter van duur is, een aantal belangrijke complicaties vermeden worden én dat we achteraf géén problemen kunnen krijgen met een slechte functie van de sluitspier (zie ook onderdeel ‘complicaties’). Daarom wordt deze ingreep ook voorgesteld in bepaalde hoog risico situaties (gevorderde leeftijd, belangrijke andere gezondheidsproblemen) én wanneer de sluitspierfunctie reeds voor de ingreep/radiotherapie niet goed is. Het vereist uiteraard wat tijd om te wennen aan het idee dat de stoelgang in een zakje terechtkomt op de buik, maar er is op termijn doorgaans prima mee te leven en een stoma is voor patiënten met een slechte sluitspierfunctie op termijn dan ook meer een zegen dan een probleem!

Tijdens de ingreep wordt de darm samen met het bijhorende vetweefsel (en daarin de klieren) eerst losgemaakt van de omgeving en vervolgens doorgenomen. De endeldarm wordt aansluitend verwijderd, al dan niet samen met de anus/sluitspier.

Indien de sluitspier gespaard kan worden kan de dikke darm nadien weer op de anus worden gehecht; dit gebeurt concreet met nietjes dmv een speciaal daarvoor ontwikkeld pistool, dat via de anus opgeschoven wordt.

Anastomose gestapled 1

In de komende dagen moet hier een waterdicht litteken gevormd worden. Helaas weten we dat dit in 10-15% van de gevallen niet meteen gebeurt. Bij passage van stoelgang zou dat een lekkage van stoelgang tot gevolg hebben. Dit zou een dringende heringreep vereisen én zou een intense ontstekingsreactie in de omgeving veroorzaken waardoor de functie van de sluitspier achteraf mogelijks sterk verminderd zou zijn. Daarom wordt er tijdens de oorspronkelijke ingreep steeds een tijdelijk stoma aangelegd op de dunne darm (ileostoma) om de stoelgang af te leiden. Je kan dat vergelijken met het herstellen van een waterkraan en het daarbij tijdelijk aftakken van de waterleiding erboven. Maw de dikke darm wordt wel degelijk meteen aangesloten op de anus, maar de stoelgang wordt via een tijdelijk stoma op de dunne darm –tijdelijk- afgeleid zodat er géén stoelgang over de aansluiting passeert. Daardoor krijgt het lichaam meer tijd om een stevig litteken te vormen en zijn de gevolgen veel minder problematisch als er toch een lek zou optreden. Het stoma op de dunne darm kan later met een relatief kleine ingreep weer worden gesloten.


Inwendige en uitwendige aambeien zijn normaal aanwezige structuren in de anus. Het zijn twee zones die bestaan uit een kluwen van bloedvaten (venen) en zo zwellichamen vormen. Deze zwellichamen dragen er toe bij dat er geen vocht kan lekken uit de anus.

Opgezette inwendige aambeien

Hoe kunnen inwendige aambeien voor problemen zorgen?

Aambeien kunnen voor problemen zorgen door overmatig opzwellen van deze kluwens bloedvaten (enigszins te vergelijken met spataders op de benen). Dit wordt in de hand gewerkt door langdurige of herhaalde overdruk. Uitlokkende factoren zijn onder meer zwangerschap, zwaarlijvigheid, lang ophouden van de stoelgang en harde stoelgang (en daardoor hard persen op het toilet).

Welke klachten veroorzaken opgezette inwendige aambeien?

Opgezette aambeien kunnen in eerste instantie leiden tot bloedverlies. Het gaat dan om enkele druppels helderrood bloedverlies, op het toiletpapier en eventueel in het toilet vlak na de stoelgang. Verder kunnen aambeien zorgen voor een vervelend drukkend/kloppend gevoel na de stoelgang dat tot enkele uren kan aanhouden. Dit kan ook gepaard gaan met wat vochtverlies en hierdoor jeuk rond de anus. Naargelang van de ernst kan er eventueel ook een zwelling gevoeld worden bij het toiletbezoek. In eerste instantie zal die zwelling spontaan weer naar binnen trekken. In een volgende fase zal men die zelf naar binnen moeten duwen. In een laatste fase tenslotte is de zwelling zo fors dat ze niet meer naar binnen te duwen is. Een enkele keer gaat dit gepaard met een plots opkomend zeer pijnlijk gespannen gevoel. De aambeien zijn dat niet meer zacht, maar staan strak gespannen. Dit is een aanleiding om dringend een arts te raadplegen.

Hoe stellen we aambeien vast? Typische klachten zoals helderrood bloedverlies, al dan niet gepaard met zwelling en drukkend gevoel nà de stoelgang, wijzen al nadrukkelijk in de richting van opgezette inwendige aambeien. Een anaal onderzoek (‘proctoscopie’) door de arts met een kort kijkbuisje kan zo nodig uitsluitsel brengen.

Behandeling

Niet-chirurgische opties

Het belangrijkste advies om hinder door opgezwollen aambeien te beperken of te voorkomen is zorgen voor een vlotte stoelgang. Dit kan door een aantal simpele maatregelen: niet te lang ophouden, niet langer dan nodig op het toilet blijven zitten (géén boekjes lezen!) en stoelgang zacht houden door voldoende te drinken en vezelrijke voeding (fruit, groenten, donker brood). Indien het niet lukt om de stoelgang zacht te houden met vezelrijke voeding, kan best een laxeermiddel worden gebruikt. Daarbij is het soms zoeken naar de juiste onderhoudsdosis (van eenmaal om de 2-3 dagen tot driemaal per dag), maar in elk geval is het beter om systematisch een laxeermiddel te gebruiken dan te wachten tot de stoelgang (weer) hard wordt en dan pas in actie te treden (jo-jo effect). Tenslotte kan voor sommige mensen een aangepaste toilethouding (bankje onder voeten) een belangrijk verschil maken. Indien het erg moeilijk blijft om stoelgang te maken ondanks zachte stoelgang, kan je best sowieso een arts raadplegen.
Bij vermoeden van hinderlijke aambeien zijn er in eerste instantie een aantal maatregelen die de huisarts kan opstarten: pijnstillende/ontzwellende zalf en/of suppo’s, ontzwellende medicatie en eventueel sluitspier-ontspannende zalf. Vaak zijn deze voldoende om een hinderlijke episode te overbruggen. Let wel op: hierbij wordt geregeld gebruik gemaakt van cortisone-houdende preparaten; deze mogen slechts beperkt worden gebruikt in de tijd (een week maximum) en niet te vaak op korte tijd herhaald worden.
In sommige gevallen van bloedverlies gepaard met andere symptomen zal wel een volledig darmonderzoek worden aanbevolen om poliepen uit te sluiten.

Chirurgische opties

Een bezoek bij een specialist (gastro-enteroloog of chirurg-proctoloog) is meestal niet nodig wanneer de problemen vlot onder controle komen met de maatregelen die door de huisarts zijn ingesteld. Het is slechts bij herhaalde en/of gevorderde problemen dat een ingreep(je) overwogen kan worden. Daarbij zijn er verscheidene opties naargelang de ernst van de situatie; een hulpmiddel om de juiste optie te kiezen is de indeling volgens graad van indaling.
Graad I: géén zwelling uitwendig te voelen bij stoelgang
Graad II: zwelling uitwendig bij stoelgang die spontaan reduceert
Graad III: zwelling die moet teruggeduwd worden
Graad IV: niet meer terug te duwen zwelling.

Ingreepje zonder verdoving

Voor beginnende aambeien zijn er 2 opties die we zonder verdoving kunnen uitvoeren. Sclerotherapie of ‘droogspuiten’ en ‘afbinden’ van de opgezwollen zone met een rubberen bandje. In beide gevallen kan er enkele dagen een vervelend drukkend gevoel optreden.

Aamb K2
Aamb K1

Ingreep onder verdoving

Voor gevorderde aambeien zijn er 2 opties; het ‘ophangen’ van de aambeien (of Longo-procedure) en het klassieke wegnemen van de aambeien via een ‘open’ procedure (‘Milligan&Morgan-procedure).

Longo-procedure

Bij een Longo-procedure wordt een speciaal hiervoor ontwikkeld apparaat gebruikt. De bovenste zone van de aambeien wordt met een hechtingsdraad rondomrond samengebonden en als een donut in het apparaat getrokken. Deze ‘donut’ wordt dan weggesneden. Tegelijkertijd met het wegsnijden wordt rondomrond een dubbele nietjesrij afgeschoten, waardoor de rest van de inwendige aambeien wordt ‘opgehangen’ en de aanvoerende bloedvaten worden drooggelegd.

Klassieke ‘open’ procedure (Milligan & Morgan procedure)

De Milligan & Morgan-procedure is een klassieke procedure waarbij de aambeien eenvoudigweg worden weggesneden. Dit wordt in principe in 3 zones uitgevoerd, met behoud van enkele intacte ‘huidbrugjes’, om het risico op een te nauwe uitwendige opening door verlittekening te beperken. Het verloop na zo’n procedure is behoorlijk pijnlijk gedurende de eerste dagen en weken; vandaar dat we zo mogelijk de voorkeur geven aan de Longo-procedure. Bij de meest uitgesproken vormen van aambeien moeten we echter toch nog geregeld naar deze klassieke procedure teruggrijpen.

Herstel na de ingreep

Herstel in het ziekenhuis

De meeste operaties voor aambeien worden in daghospitaal uitgevoerd. Dit betekent dat u dezelfde dag nog naar huis kan, op voorwaarde dat de pijn onder controle is en u niet misselijk bent. Bij voorkeur hebt u ook kunnen plassen vóór het verlaten van het ziekenhuis. Onmiddellijk na de ingreep krijgt u in eerste instantie nog vocht en pijnstilling via een infuus toegediend. Doorgaans kan u nog op de dag van de ingreep iets drinken en later op de dag iets licht eten. Het is normaal dat u op de dag van de ingreep nog pijn ervaart. U krijgt systematisch pijnstilling toegediend, waarmee u normaalgezien comfortabel bent maar indien dit niet toereikend is, kan u dit uiteraard aangeven aan uw verpleegkundige.

Na ontslag uit het ziekenhuis

Algemeen

  • Bij de Longo-procedure wordt er in de anus gewerkt en nadien blijft er een dubbele rij nietjes achter. Het is normaal dat het weefsel hierdoor in de anus een tijdje opzwelt, hetgeen een onaangenaam drukkend gevoel geeft. Dit kan ook het gevoel geven om constant naar het toilet te moeten gaan en ertoe leiden dat u frequent kleine beetjes stoelgang moet maken en stoelgang minder lang kan ophouden. Dit houdt doorgaans een tiental dagen aan (soms ook enkele weken). Stoelgang maken op zich kan extra lastig zijn in die periodes en vaak is de hinder het meest uitgesproken in de eerste minuten/uren na de stoelgang.
  • Bij de open procedure blijven één of meerdere ‘open’ wondjes achter, dewelke niet met hechtingen zijn gesloten, gezien het risico op infectie en abcesvorming in deze regio. Dit betekent dat u de eerste dagen tot weken nog flink wat hinder/pijn kan ondervinden, voornamelijk bij het stoelgang maken en de eerste uren nadien. Stoelgang ophouden is uiteraard ook moeilijker en het is niet uitzonderlijk dat u af en toe zelfs wat dunne stoelgang verliest. Daarvoor kan een inlegkruisje nodig zijn.

Deze klachten nemen typisch wat toe over verloop van de eerste 3 dagen, om daarna heel geleidelijk af te nemen. Na een tiental dagen is het ergste leed doorgaans geleden. Volledige heling wordt doorgaans na een zestal weken bereikt.
Bij beide ingrepen wordt er geregeld een bloedstelpend sponsje aangebracht in de anus, dat bij de eerste stoelgang meekomt; het kan hierdoor bij de eerste stoelgang lijken alsof u plots een flinke klonter bloed verliest. De eerstvolgende dagen tot weken kan er nog geregeld enig bloedverlies (druppels) optreden. Dat is op zich dus niet abnormaal. Wanneer het bloedverlies echter overvloedig zou zijn (bijvoorbeeld drang voelen om naar het toilet te gaan met enkel een flinke hoeveelheid bloedklonters –géén stoelgang- als resultaat), kan u best uw huisarts of het ziekenhuis raadplegen of even langskomen via de spoedgevallendienst.
Bij beide ingrepen is het ook normaal dat u minder goed kan ophouden de eerste dagen en soms weken.

Voeding

U voorkomt best dat de stoelgang hard wordt; daarom adviseren we vezelrijke voeding te nemen (donkerbruin brood, veel fruit, geperst fruitsap) en veel water te drinken. Indien u merkt dat dit niet volstaat kan u best enige tijd laxeermiddelen nemen. Deze zijn zonder voorschrift verkrijgbaar bij de apotheek.

Wondzorg

Bij een Longo-procedure zijn er géén wondjes uitwendig en is er dus ook géén wondzorg toe te passen.
Bij een open procedure, adviseren we om na de stoelgang na te spoelen met de douchekop of te wassen met een washandje, al dan niet in combinatie met een zitbadje; grondige hygiëne met toiletpapier alleen zal omwille van pijn niet mogelijk zijn. Een zitbadje in lauw water kan bovendien erg relaxerend werken. Na afloop van spoelen/zitbad en na grondig droogdeppen, kan u de voorgeschreven verzachtende zalf aanbrengen. Bij de bandagist kan u een zitbadje bekomen dat op een toiletbril te plaatsen is.

Medicatie bij ontslag

Uw thuismedicatie mag in principe opnieuw herstart worden na ontslag. Ivm eventuele bloedverdunners krijgt u apart advies.
Als pijnstilling stellen we paracetamol 1g, tot 4/dag voor (Dafalgan, Paracetamol…), aan te vullen met een ontstekingsremmer (diclofenac, ibuprofen…), op voorwaarde dat u nooit een maagzweer hebt gehad en niet lijdt aan een ernstige hart- of nieraandoening. Tenslotte voorzien we ook nog een krachtige pijnstiller uit de categorie ‘opiaten’ (Tradonal, Contramal…) . Deze drie pijnstillers werken op verschillende wijze en mogen dus in combinatie worden gebruikt.
Zoals eerder aangehaald kan in aanvulling op de pijnstillers, een (zit)bad een erg relaxerend effect hebben op de ganse bekkenbodem en daardoor ook pijnstillend werken.

Afspraken

Na een open procedure adviseren we om enkele dagen na de ingreep een wondcontrole door de huisarts te laten uitvoeren. Na een Longo-procedure zijn er géén wondes te controleren.
Een controle bij de behandelend chirurg wordt voorzien binnen een tweetal weken.

Complicaties

In de overgrote meerderheid van de gevallen is een ingreep voor aambeien een relatief beperkte ingreep met een ongecompliceerd, zij het soms behoorlijk pijnlijk, verloop achteraf. Geen enkele ingreep is evenwel volledig risicovrij uiteraard. Zo bestaat er ook bij deze ingreep een klein risico op algemene chirurgische complicaties als infectie, wondcomplicaties, nabloeding en trombose . Zwaarlijvigheid en roken verhogen de kans op complicaties. Specifieke complicaties bij deze ingreep zijn onder meer tijdelijke plasproblemen. Plasproblemen komen geregeld voor door combinatie van een reeds vergrote prostaat en pijn, en zijn doorgaans opgelost met tijdelijk een blaassonde te plaatsen gedurende maximaal enkele dagen. Voor een nabloeding kan een heringreepje noodzakelijk zijn met overhechten van een bloedvat.

Na de open procedure zien we ondanks voorzorgen af en toe een vernauwing optreden van de anus bij het uithelen van de littekens. Daarvoor kan een heringreepje nodig zijn met oprekken (dilateren) van de zone. Een abces komt ondanks de overvloedig aanwezige bacteriën in deze regio gelukkig slechts uiterst zelden voor, maar vereist uiteraard ook een heringreep én nazorg . Tenslotte zien we zelden ook blijvende moeite om vloeibare stoelgang op te houden; dit is vooral zo bij mensen die vooraf al enige moeite hebben om stoelgang uit te stellen; bij die categorie van patiënten moeten we dan ook extra voorzichtig zijn.

Na Longo-procedure zijn gevallen van chronische pijn bekend, maar ook dit is gelukkig uiterst zeldzaam.